DNA
Jarno onderzoekt het cytomegalovirus, een dubbelstrengs-DNA virus. Hij heeft van
een stukje DNA van vijftig nucleotiden de basenvolgorde bepaald. Door dit stukje
DNA wordt een polypeptide gecodeerd. De basenvolgorde is (in blokjes van tien
basen weergegeven):
3’ GCGCGCGCGC TATAAAGGAA TTACCCGAGG TAGTCCGACA CTTTTTTTAT 5’
1. Bij welke base begint de code? Schrijf het nummer van de base op.
RNA
De afbeelding geeft een tRNA-molecuul en
een deel van een mRNA-molecuul weer.
Aan ieder type tRNA wordt een specifiek
aminozuur gebonden.
2. Welk aminozuur is gebonden aan het
tRNA van de afbeelding?
A fenylalanine
B glutaminezuur
C leucine
D lysine
DNA fingerprints
DNA fingerprints die gebruikt worden in de
rechtszaal lijken een beetje op de
streepjescodes zoals je die op produkten in
de supermarkten aantreft.
3. Het patroon van de streepjes in een fingerprint komt overeen met _____
A de erfelijke aanleg voor misdadig gedrag
B de volgorde van de genen op bepaalde chromosomen
C de aanwezigheid van dominante en recessieve allelen voor bepaalde
eigenschappen
D de aanwezigheid van DNA-fragmenten van verschillende grootte
E de volgorde van basen in een bepaald gen
,Stel dat er bij de replicatie van het DNA in een cel een fout wordt gemaakt waardoor
er ergens in een gen in plaats van een A een T wordt ingebouwd.
4. Welk effect verwacht je op de cel?
A Elk nieuw gevormd eiwit zal een verkeerd aminozuur bevatten.
B Elk nieuw gevormd eiwit zal een aminozuur te weinig bevatten.
C Een bepaald eiwit kan een verkeerd aminozuur bevatten.
D Een bepaald eiwit kan een totaal verkeerde aminozuurvolgorde
bevatten.
E Een bepaald eiwit kan een aminozuur missen.
Thalassemie
Thalassemie is een erfelijke vorm van bloedarmoede. Er bestaan verschillende
vormen van: α-, β- en δ-thalassemie.
De lichte vorm is α-thalassemie en berust op een verandering van de erfelijke code
voor de bouw van α-globine, een van de polypeptiden in het hemoglobine. Het
afwijkende Hb wordt eerder afgebroken dan normaal het geval zou zijn.
Afwijkend Hb kan veroorzaakt worden door een bepaalde puntmutatie in de codering
voor α-globine. Als in triplet nummer 142 in het mRNA de nucleotide met uracil is
vervangen door een nucleotide met cytosine ontstaat een afwijkend Hb (Constant
Spring). Een deel van het normale mRNA en van het mutant mRNA is hieronder
afgebeeld.
141 142 143 145 170 171 172 173 174 175
Normaal Hb ... CGU UAA GCU GGA ...//... GUC UUU GAA UAA AGU CUG
poly(A)
Constant spring ... CGU CAA GCU GGA ...//... GUC UUU GAA UAA AGU CUG
poly(A)
5. Wat is het verschil tussen de primaire structuur van het normale α-globine en
die van het mutant α-globine als gevolg van deze puntmutatie?
6. Leg uit waardoor dit verschil veroorzaakt wordt.
Aan- en uitzetten van genen
Escherichia coli leeft in de dikke darm van onder andere de mens. Deze bacterie
heeft vijf structurele genen die coderen voor enzymen die betrokken zijn bij de
synthese van het aminozuur tryptofaan. Bij aanwezigheid van voldoende tryptofaan,
worden deze genen tegelijkertijd ’uitgezet’. Als de gastheer van deze bacterie
voedsel heeft gegeten dat weinig of geen tryptofaan bevat, worden de vijf genen
weer actief en maakt de bacterie het aminozuur zelf.
In de afbeelding is schematisch de productie weergegeven van de enzymen die
betrokken zijn bij de synthese van tryptofaan (trp).
, Over het aan- en uitzetten van de vijf genen die coderen voor enzymen die betrokken
zijn bij de productie van tryptofaan in E. coli, worden de volgende beweringen
gedaan:
1 De repressor wordt in een inactieve vorm geproduceerd en blijft inactief in
afwezigheid van tryptofaan;
2 De actieve vorm van de repressor bindt zich aan de operator waardoor het operon
inactief wordt;
3 Als de operator in de ’uit-stand’ staat, is er geen mRNA-productie van het operon.
7. Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
A alleen bewering 1
B alleen bewering 2
C alleen bewering 3
D alleen de beweringen 1 en 2
E alleen de beweringen 1 en 3
F de beweringen 1, 2 en 3