Anatomie 2
Les 1
Spijsverteringstelsel
Tractus digestivus
Voer
- Bouwstenen.
- Energie.
- Restproduct (ontlasting).
Functie: Opname en vertering door Tractus digestivus.
Anatomie tractus digestives
“buitenwereld”
- Bekleed met slijmvlies ipv huid.
- Barrière tegen indringers.
Slijm
Lymfeknopen, macrofage, lymfocyten.
Lymfeknopen
- Nodig voor de afweer.
- Bevinden zich witte bloedcellen in.
Macrofagen
- Eten ziekteverwekkers op.
- Maken ziekteverwekkers onschadelijk.
Lymfocyten
- B cellen: maken antilichamen aan.
- T cellen: vallen ziekteverwekkers aan. (ziekteverwekker = antigeen)
,Van mond tot …
- Mond cavum oris.
- Keelholte pharynx.
- Strottenhoofd met epiglottis larynx.
- Slokdarm oesophagus.
- Maag gaster. (uitgang maag pylorus).
- Darmen:
- Dunne darm
Twaalfvingerige darm Duodenum.
Nuchtere darm Jejunum.
Kronkeldarm Ileum.
- Blindedarm Caecum.
- Dikke darm Colon.
Colon ascendens = omhoog.
Colon transversus = horizontaal.
Colon descendens = naar beneden.
- Endeldarm rectum.
- Anus
- Lever hepar
- Alvleesklier pancreas
Mond
Functies:
- Verkleinen
Door kauwen
- Bevochtigen
Door speeksel
- Proeven
Door smaak
- Transport
Door slikken.
Gebit
- Verschillend per diersoort en eetgewoonte.
- Leeftijd schatten: slijtage-afhankelijk.
- Het is belangrijk dat je weet wanneer het dier gewisseld
heeft of moet gaan wisselen.
Het dier kan hierdoor pijn in de bek krijgen.
o Bijten of minder eten.
Kroon: dentine en glazuur. Wortel: dentine en cement.
Wortelkanaal pulpa-holte, hier liggen je zenuwen en
bloedvaten. Tandbeen dentine. Je tandhals is de overgang
van wortel naar kroon, hier komen de meeste problemen voor
omdat er tandplak tussen blijft zitten.
Ontsteking van het tandvlees gingivitis.
Klieren
, - Speekselklieren glandulae salivales.
Functie: speekselproductie
- Lymfeknopen
Afweer.
Bevinden zich:
Oksel
Liezen
Hals
Keel pharynx
Kruising
- Voedselweg.
- Ademhalingsweg.
Slikreflex
Larynx paralise = verlamming van het
strottenhoofd.
Slokdarm oesophagus
- Begin: keel.
- Midden: borstholte.
- Eind: buikholte.
Alleen transportfunctie
- Circulaire spierlaag. (in een cirkel)
- Longitudinale spierlaag. (in de lengte)
Deze twee spielagen samen zorgen voor een goede peristaltische
beweging.
- Peristaltiek (autonoom zenuwstelsel)
Peristaltiek: opeenvolging van spiercontracties van de spierlagen in de
wand van de slokdarm, waardoor de voedselbrok verplaatst wordt van
craniaal naar caudaal.
Autonoom: gebeurt zonder na te denken, zonder eigen invloed.
Buikholte abdomen
Begrenzing
- Middenrif = craniaal
- Buikwand = ventraal
- Ribben = lateraal
- Wervelkolom = dorsaal
- Bekkenholte = caudaal
Bekleding
, - Peritoneum buikvlies.
Parietaal bekleding aan de binnenkant van de buikwand.
Viseraal bekleding aan de buitenkant van de organen.
- Mesenterium ophangvlies om
de darmen (“darmzak”).
- Omentum vlies om de maag.
Omentum minor (kleine net).
o Aan de rug vast.
Omentum major (grote net).
o Aan de pancreas
vast.
Maag gaster
- Ingang cardia.
- Uitgang pylorus.
De maag is eigenlijk een
verwijding van het
maagdarmkanaal (MDK).
Taken maag
- Kneden, mengen met verteringssappen.
- Productie maagsappen.
Zoutzuur
o Maakt stoffen onschadelijk. (doodt bacteriën en indringers)
o Eiwit vertering.
o Word gemaakt door klieren in de wand van de maag.
Pepsine
o Eiwit vertering.
Slijmlaag
o Beschermt de maagwand tegen eigen sappen.
- Verteren van voedsel.
Braken
- Reflex.
Via braakcentrum in de hersenen.
- Antiperistaltiek.
Zit in de slokdarm.
Zorgt ervoor dat het voedsel terug omhoog wordt verplaatst.
- Regurgiteren.
Het voedsel gaat omhoog uit de maag via de slokdarm zodat de dieren het
kunnen herkauwen.
Bijv. Koeien.
- Via braakcentrum in de hersenen.
Vreemd voorwerp dat wordt opgegeten corpus alienum. (zorgt voor braken)
Les 1
Spijsverteringstelsel
Tractus digestivus
Voer
- Bouwstenen.
- Energie.
- Restproduct (ontlasting).
Functie: Opname en vertering door Tractus digestivus.
Anatomie tractus digestives
“buitenwereld”
- Bekleed met slijmvlies ipv huid.
- Barrière tegen indringers.
Slijm
Lymfeknopen, macrofage, lymfocyten.
Lymfeknopen
- Nodig voor de afweer.
- Bevinden zich witte bloedcellen in.
Macrofagen
- Eten ziekteverwekkers op.
- Maken ziekteverwekkers onschadelijk.
Lymfocyten
- B cellen: maken antilichamen aan.
- T cellen: vallen ziekteverwekkers aan. (ziekteverwekker = antigeen)
,Van mond tot …
- Mond cavum oris.
- Keelholte pharynx.
- Strottenhoofd met epiglottis larynx.
- Slokdarm oesophagus.
- Maag gaster. (uitgang maag pylorus).
- Darmen:
- Dunne darm
Twaalfvingerige darm Duodenum.
Nuchtere darm Jejunum.
Kronkeldarm Ileum.
- Blindedarm Caecum.
- Dikke darm Colon.
Colon ascendens = omhoog.
Colon transversus = horizontaal.
Colon descendens = naar beneden.
- Endeldarm rectum.
- Anus
- Lever hepar
- Alvleesklier pancreas
Mond
Functies:
- Verkleinen
Door kauwen
- Bevochtigen
Door speeksel
- Proeven
Door smaak
- Transport
Door slikken.
Gebit
- Verschillend per diersoort en eetgewoonte.
- Leeftijd schatten: slijtage-afhankelijk.
- Het is belangrijk dat je weet wanneer het dier gewisseld
heeft of moet gaan wisselen.
Het dier kan hierdoor pijn in de bek krijgen.
o Bijten of minder eten.
Kroon: dentine en glazuur. Wortel: dentine en cement.
Wortelkanaal pulpa-holte, hier liggen je zenuwen en
bloedvaten. Tandbeen dentine. Je tandhals is de overgang
van wortel naar kroon, hier komen de meeste problemen voor
omdat er tandplak tussen blijft zitten.
Ontsteking van het tandvlees gingivitis.
Klieren
, - Speekselklieren glandulae salivales.
Functie: speekselproductie
- Lymfeknopen
Afweer.
Bevinden zich:
Oksel
Liezen
Hals
Keel pharynx
Kruising
- Voedselweg.
- Ademhalingsweg.
Slikreflex
Larynx paralise = verlamming van het
strottenhoofd.
Slokdarm oesophagus
- Begin: keel.
- Midden: borstholte.
- Eind: buikholte.
Alleen transportfunctie
- Circulaire spierlaag. (in een cirkel)
- Longitudinale spierlaag. (in de lengte)
Deze twee spielagen samen zorgen voor een goede peristaltische
beweging.
- Peristaltiek (autonoom zenuwstelsel)
Peristaltiek: opeenvolging van spiercontracties van de spierlagen in de
wand van de slokdarm, waardoor de voedselbrok verplaatst wordt van
craniaal naar caudaal.
Autonoom: gebeurt zonder na te denken, zonder eigen invloed.
Buikholte abdomen
Begrenzing
- Middenrif = craniaal
- Buikwand = ventraal
- Ribben = lateraal
- Wervelkolom = dorsaal
- Bekkenholte = caudaal
Bekleding
, - Peritoneum buikvlies.
Parietaal bekleding aan de binnenkant van de buikwand.
Viseraal bekleding aan de buitenkant van de organen.
- Mesenterium ophangvlies om
de darmen (“darmzak”).
- Omentum vlies om de maag.
Omentum minor (kleine net).
o Aan de rug vast.
Omentum major (grote net).
o Aan de pancreas
vast.
Maag gaster
- Ingang cardia.
- Uitgang pylorus.
De maag is eigenlijk een
verwijding van het
maagdarmkanaal (MDK).
Taken maag
- Kneden, mengen met verteringssappen.
- Productie maagsappen.
Zoutzuur
o Maakt stoffen onschadelijk. (doodt bacteriën en indringers)
o Eiwit vertering.
o Word gemaakt door klieren in de wand van de maag.
Pepsine
o Eiwit vertering.
Slijmlaag
o Beschermt de maagwand tegen eigen sappen.
- Verteren van voedsel.
Braken
- Reflex.
Via braakcentrum in de hersenen.
- Antiperistaltiek.
Zit in de slokdarm.
Zorgt ervoor dat het voedsel terug omhoog wordt verplaatst.
- Regurgiteren.
Het voedsel gaat omhoog uit de maag via de slokdarm zodat de dieren het
kunnen herkauwen.
Bijv. Koeien.
- Via braakcentrum in de hersenen.
Vreemd voorwerp dat wordt opgegeten corpus alienum. (zorgt voor braken)