Maatschappijwetenschappen H11
Veranderingen in het vormingsvraagstuk
Vraagstuk over het proces van verwerving van een bepaalde identiteit.
11.2 Analyse: politieke socialisatie en identiteit
Politieke socialisatie: Het proces van de overdracht en verwerving van de politieke cultuur van de groepen en
samenleving waar mensen toe behoren. Het proces bestaat uit opvoeding, opleiding, en andere vormen van
omgang met anderen.
Politieke socialisatie =
Politieke socialisatie (1) de ontwikkeling van een
politieke voorkeur en
Voor de jaren 60 verzuiling: de samenleving was opgedeeld in levensbeschouwelijke
(2) het aanleren politiek
en sociaaleconomische groepen, die niet met andere zuilen omgaan. Macroniveau: systeem
politieke partijen en kranten per zuil. Politieke socialisatie vond dus plaats
binnen de zuil.
Dankzij ontzuiling wilden jongeren ook contacten buiten hun eigen zuil en verandering. Deze ideeën kregen
ze niet van hun ouders (opvoeding) of school (omleiding), maar door omgang met elkaar. Ze kregen ideeën
over maatschappelijke verandering. Er was dus groepsvorming. Media speelde een rol: nieuwe bladen en
omroepen. De socialisatie van de jongeren veranderde hierdoor.
Ook de toename van technische uitvindingen(rationalisering) en toename verbindingen met buitenland
(globalisering) zorgden voor protesten.
Belangrijke traditionele socialisatoren namen af (kerk en vereniging) en media, vrienden en onderwijs
belangrijkere rol. School werd belangrijker, omdat kinderen nu ook meer dan vroeger naar school gingen.
Identiteit
Het beeld dat iemand van zichzelf heeft, dat hij uitdraagt naar anderen en anderen voorhoudt, en dat hij als
kenmerkend en blijvend beschouwt voor zijn eigenpersoon en dat is afgeleid van zijn perceptie over de
groep(en) waar hij wel of juist ook niet een deel van uitmaakt.
Jongerenculturen belangrijke rol in de ontwikkeling van de identiteit van jongeren. Doordat zij gingen horen
bij bepaalde groepen (sociale identiteit) gingen ze een beeld uitdragen van hun eigen identiteit. Ze keerden
zich af van de burgerij en de zuilen, en hadden hun eigen groepen.
Ook afzet tegen de collectivistische cultuur. -> de wensen en belangen van de groep was belangrijker dan die
van het individu.
Binnen jongerencultuur was vooral vrijheid de belangrijkste waarde. Ze streefden een individualistische
cultuur na waarin ze zich konden ontplooien en losweken van de verstikkende collectivistische cultuur. Ze
worden nu meer gesocialiseerd door elkaar in vriendengroepen.
Acculturatie
Het aanleren en verwerven van een andere cultuur of elementen daaruit, dan die waarin iemand is
opgegroeid.
Naast de opkomst van jongeren kwamen er in de jaren 60 en 70 ook veel migranten. Er kwamen veel
gastarbeiders die geen kans op werk in hun eigen land hadden. Nederlandse bedrijven gingen juist op zoek
naar nieuwe werkgevers omdat het zo goed ging met de economie.
Een ruil (samenwerking) tussen bedrijfsleven en migranten. Veel mensen bleven en stichtten een gezin of
zorgden voor gezinshereniging. De tweede of derde generatie allochtonen heeft een uitdaging om te
integreren met de Nederlandse dominante cultuur, hangt samen met acculturatie. Vooral de 2e generatie zit
in een spagaat: geboren in het moderne Nederland, maar thuis gesocialiseerd in de traditionele cultuur.
, *Jongerenculturen zorgden voor een
nieuwe identiteit:
- Afzetten tegen dominante cultuur
- Van collectivistische naar
individualistische cultuur
- Belangrijkste waarde: individuele
vrijheid
Veranderingen in het vormingsvraagstuk
Vraagstuk over het proces van verwerving van een bepaalde identiteit.
11.2 Analyse: politieke socialisatie en identiteit
Politieke socialisatie: Het proces van de overdracht en verwerving van de politieke cultuur van de groepen en
samenleving waar mensen toe behoren. Het proces bestaat uit opvoeding, opleiding, en andere vormen van
omgang met anderen.
Politieke socialisatie =
Politieke socialisatie (1) de ontwikkeling van een
politieke voorkeur en
Voor de jaren 60 verzuiling: de samenleving was opgedeeld in levensbeschouwelijke
(2) het aanleren politiek
en sociaaleconomische groepen, die niet met andere zuilen omgaan. Macroniveau: systeem
politieke partijen en kranten per zuil. Politieke socialisatie vond dus plaats
binnen de zuil.
Dankzij ontzuiling wilden jongeren ook contacten buiten hun eigen zuil en verandering. Deze ideeën kregen
ze niet van hun ouders (opvoeding) of school (omleiding), maar door omgang met elkaar. Ze kregen ideeën
over maatschappelijke verandering. Er was dus groepsvorming. Media speelde een rol: nieuwe bladen en
omroepen. De socialisatie van de jongeren veranderde hierdoor.
Ook de toename van technische uitvindingen(rationalisering) en toename verbindingen met buitenland
(globalisering) zorgden voor protesten.
Belangrijke traditionele socialisatoren namen af (kerk en vereniging) en media, vrienden en onderwijs
belangrijkere rol. School werd belangrijker, omdat kinderen nu ook meer dan vroeger naar school gingen.
Identiteit
Het beeld dat iemand van zichzelf heeft, dat hij uitdraagt naar anderen en anderen voorhoudt, en dat hij als
kenmerkend en blijvend beschouwt voor zijn eigenpersoon en dat is afgeleid van zijn perceptie over de
groep(en) waar hij wel of juist ook niet een deel van uitmaakt.
Jongerenculturen belangrijke rol in de ontwikkeling van de identiteit van jongeren. Doordat zij gingen horen
bij bepaalde groepen (sociale identiteit) gingen ze een beeld uitdragen van hun eigen identiteit. Ze keerden
zich af van de burgerij en de zuilen, en hadden hun eigen groepen.
Ook afzet tegen de collectivistische cultuur. -> de wensen en belangen van de groep was belangrijker dan die
van het individu.
Binnen jongerencultuur was vooral vrijheid de belangrijkste waarde. Ze streefden een individualistische
cultuur na waarin ze zich konden ontplooien en losweken van de verstikkende collectivistische cultuur. Ze
worden nu meer gesocialiseerd door elkaar in vriendengroepen.
Acculturatie
Het aanleren en verwerven van een andere cultuur of elementen daaruit, dan die waarin iemand is
opgegroeid.
Naast de opkomst van jongeren kwamen er in de jaren 60 en 70 ook veel migranten. Er kwamen veel
gastarbeiders die geen kans op werk in hun eigen land hadden. Nederlandse bedrijven gingen juist op zoek
naar nieuwe werkgevers omdat het zo goed ging met de economie.
Een ruil (samenwerking) tussen bedrijfsleven en migranten. Veel mensen bleven en stichtten een gezin of
zorgden voor gezinshereniging. De tweede of derde generatie allochtonen heeft een uitdaging om te
integreren met de Nederlandse dominante cultuur, hangt samen met acculturatie. Vooral de 2e generatie zit
in een spagaat: geboren in het moderne Nederland, maar thuis gesocialiseerd in de traditionele cultuur.
, *Jongerenculturen zorgden voor een
nieuwe identiteit:
- Afzetten tegen dominante cultuur
- Van collectivistische naar
individualistische cultuur
- Belangrijkste waarde: individuele
vrijheid