Aardrijkskunde
Hoofdstuk 2
Op de aarde is leven mogelijk door de samenstelling van de atmosfeer die
organismen van voldoende zuurstof voorziet en de aanwezigheid van een
ozonlaag die tegen schadelijke ultraviolette straling beschermt.
In de onderste lagen van de atmosfeer speelt het weer en het klimaat zich af.
Er draaien in totaal 8 planeten rond om de zon. Daarnaast draaien er nog
tientallen manen, vele kometen en asteroïden om de zon.
Asteroïden = kleine planeten
Planeet = grote bol van gas of steen
De zon is een van de miljarden sterren in heelal. Hij is 5.500 °C warm en zit op
149.600.000 km afstand van de aarde.
Rotsachtige planeten: Mercurius, Venus, Aarde, Mars
Gasplaneten (waterstof): Jupiter, Saturnus, Uranus, Neptunus
De atmosfeer/dampkring is een luchtlaag van meer dan 1.000 km dik.
Exosfeer 400 km hoogte
Thermosfeer 75 km hoogte
Mesosfeer 25 km hoogte
Ozonlaag
Stratosfeer 10 km hoogte
Troposfeer Wolken 0 km hoogte
De troposfeer bevat 78% stikstof, 21% zuurstof en 3% andere gassen waaronder
koolstofdioxide.
Koolstofdioxide (CO₂) is een broeikasgas. Een broeikasgas houdt de warmte van
de zon in de atmosfeer. Dit heet het broeikaseffect. Zonder het broeikaseffect
zou het 33 °C kouder zijn.
De atmosfeer beschermt ons tegen meteorieten (brokken steen). De meeste
meteorieten verbranden wanneer ze door de dampkring gaan.
De ozonlaag beschermt ons tegen UV-straling.
Weer = de toestand van de atmosfeer op een bepaalde plaats op een bepaald
moment.
Weerselementen = temperatuur, neerslag, wind
Klimaat = gemiddelde toestand van het weer over langere tijd (minimaal dertig
jaar) en een groot gebied
De aarde draait in 24 uur om haar eigen as (aardas). De aardas is de
denkbeeldige lijn van de Noordpool naar de Zuidpool. Ze draait tegen de klok in
en de aarde staat een beetje schuin.
De aarde draait in 365,242 dagen om de zon > schrikkeljaar.
De baan die de aarde om de zon maakt is ellipsvormig. De aarde staat het dichtst
bij de zon in januari en het verst in juli.