Leerdoelen weblecture 1
1. Hoe verlopen de kleine en grote circulatie?
De kleine circulatie begint in het rechterventrikel
(rechterkamer), waarbij zuurstofarm bloed naar de
longslagader (Arteria Pulmonalis) gaat. Vanaf de
longslagader gaat het bloed naar de longcapillairen.
Hier vindt d.m.v. diffusie zuurstofverplaatsing naar
het bloed plaats. Dit nu zuurstofrijke bloed, gaat via
de longader (Vena Pulmonalis) terug naar het
linkeratrium (linkerboezem).
De grote circulatie begint in het linkerventrikel
(linkerkamer), waarbij zuurstofrijk bloed naar de aorta
gaat. Via de aorta en de slagaders van de organen
komt het bloed in de capillairen (haarvaten) van de
organen. Hier worden zuurstof en voedingsstoffen afgegeven en koolstofdioxide opgenomen. Dit nu
zuurstofarme bloed komt via de aders van de organen in de onderste holle ader (vena cava inferior)
en daarna stroomt het in het rechteratrium (rechterboezem) terug het hart in.
2. Hoe is het hart opgebouwd? (inclusief kleppen en bloedvaten)
Het hart is opgebouwd uit 2 ventrikels en 2 atria. De rechter/linker kamers en de rechter/linker
boezems. Het hart krijgt zuurstof en voedingsstoffen van de kransslagaders (arteriae coronariae). Als
het hart slaat, trekken eerst de atria samen en daarna de ventrikels.
, 3. Wat zijn de verschillen tussen de soorten bloedvaten?
Arteriën/slagaders: effanterend bloedvat. Zorgt voor transport van zuurstofrijk bloed naar de
weefsels. Altijd zuurstofrijk (BEHALVE LONGSLAGADER). Dikke gespierde wand.
Venen/aders: affenterend bloedvat. Zorgt voor transport van zuurstofarm bloed terug richting het
hart. Alleen de longader is zuurstofrijk. Dunnere wanden dan slagaders.
Capillairen/haarvaten: enige bloedvaten waarbij uitwisseling van tussen bloed en omringende
interstitiële vloeistof door de wanden mogelijk is. Wanden zijn relatief dun hiervoor. Langzaam
stromend en lage bloeddruk zodat er tijd is voor diffusie.
4. Uit welke fases bestaat de hartcyclus?
Fase 1, atriale systole begint:
Door atriale contractie wordt
een kleine hoeveelheid extra
bloed in de ontspannen
ventrikels gestuwd.
Fase 2, atriale systole eindigt:
Atriale diastole begint.
Fase 3, ventriculaire systole,
eerste fase: Door ventrikel
contractie worden de AV-
kleppen dichtgedrukt, maar dit
genereert niet genoeg druk om
de halvemaanvormige kleppen
te openen.
Fase 4, ventriculaire systole,
tweede fase: Als de druk in het
ventrikel stijgt en hoger wordt
dan de druk in de arteriën, gaan
de halvemaanvormige kleppen
open en bloed wordt naar
buiten gestuwd.
Fase 5, ventriculaire diastole, begin: Als de ventrikels zich ontspannen, daalt de druk in de ventrikels;
bloed stroomt terug tegen de slippen van de halvemaanvormige kleppen en drukt deze dicht. Bloed
stroomt de ontspannen atria binnen.
Fase 6, ventriculaire diastole, later: Alle hartafdelingen zijn ontspannen, ventrikels stromen passief
vol.