Weblecture 2: Anatomie & fysiologie circulatie (deel 2)
Leerdoelen
Je kunt uitleggen:
Wat het slagvolume en het hartminuutvolume is;
Wat de factoren zijn die van invloed zijn op het slagvolume en het hartminuutvolume;
Welke factoren van invloed zijn op de bloeddruk en hoe deze gereguleerd worden;
Welke mechanismen en drukverschillen een rol spelen bij de verplaatsing van vloeistoffen tussen de
capillairen en de interstitiële ruimten;
Welke centrale en plaatselijke regelmechanismen samenwerken om de doorbloeding en de
bloeddruk in de weefsels te reguleren;
Welke verschillende factoren een rol spelen bij de zuurstofbalans van het myocard en hoe ze dat
doen;
Op welke wijze het cardiovasculaire stelsel reageert op de behoefte bij inspanning of bloedverlies.
Voorbereidingen:
Lees:
Gafni, Brouwer en van Wonderen (2021). Anatomie en fysiologie. Amstelveen; ExpertCollege:
Hoofdstuk 19 Cardiovasculair systeem – het hart:
19.9 Cardiale output
HMV (hartritmevolume) cardiale output, bloed per minuut door 1 ventrikel
HF (hartfrequentie) aantal slagen per minuut, vrouwen kleinere SV => HF hoger, beïnvloed
autonome zenuwstelsel, ionen en hormonen. Positieve chronotroop = hartslag verhogend,
verlagend = negatieve chronotroop. Medulla oblongata bij de hersenstam ontvangt alle info
en daaruit past hij het hart aan
SV (slagvolume)
HMV = HF x SV
Hartreserve = maximale HMH – rust HMV
Tachycardie => te hoge hartslag > 100 p/m in rust
Bradycardie => < 60 p/m rust
Sympathisch zenuwstelsel => sinus knoop => AV knoop => noradrenaline bind aan beta-
adrenerge receptoren wat het hartslag laat stijgen
Parasympatisch => vezels nervus vagus => SA => AV knoop => acetylchlorine bindt aan
muscarinereceptoren => kalium kanalen open => hyperpolarisatie => HF daalt
Propioceptoren informeren uit spieren en gewrichten het hartcentrum. Ook
baroreceptroren (bloeddruk) informeert hartcentrum.
Adrenaline en noradrenaline (catecholamines) invloed HF gemaakt in bijniermerg
Thyroxine = schildklierhormoon bij tachycardie => hartfalen
Grootste chonotrope effect (krachtige hartslag) =kalium => hart blijft aangespannen. Hypo-
hyperkaliëmie (aangespannen). Hypo (verlaagd)- hypercalciëmie (verhoogd)
SV = EDV – ESV. EDV= einddiastolyisch volume (invloed: duur ventriculaire diastole en
veneuze terugkeer) en ESV= eindsystolisch volume (invloed: contractiliteit SV omhoog en
afterload hoof verkleint SV)
- Preload: uitrekking myocardcellen tijden ventriculaire diastole, hoe hoger EDV hoe
hoger preload. Franksterling hoe meer bloed in hart, hoe meer preload, hoe hoger SV.
Bainbridge reflex = uitrekken pacemaker cellen SA-knoop => snellere depolarisatie => HF
omhoog (voorkomt over vullen)
- Contractiliteit: kracht myocardspiercellen samentrekken systole. Verhogen = positief
inotroop (brengen calcium binnen) te veel = hartstilstand. Hypercalciëmie en adrenaline.
Verlagen is negatief inotroop (minder calcium) bij hypertensie, betablokkers
, - Afterload: spanning ventrikel om semilunaire kleppen openen (aorta/pulmunalis), hoe
grote afterload hoe groter periode isovolumetrisch contractie, hoe korter ventriculaire
ejectie, hoe groter ESV. Slagvolume neemt af afterload neemt toe
Hoofdstuk 20 Cardiovasculair systeem – bloedvaten en circulatie:
20.2: De relatie tussen totale dwarsdoorsnede en bloedstroomsnelheid
Stroomsnelheid: hoeveelheid bloed dat getransporteerd wordt per tijdseenheid (cm/s) is
ook wel radius4, straal tot de macht 4. Vasoconstrictie (vaatvernauwing) en vasodilatie
(vaatverwijding). Aorta stroomsnelheid het grootst, capillairen t kleinst: lange weg met
frictie afgelegd, kleinere diameter (meer weerstand in venen minder), totale
dwarsdoorsnede neemt toe ( in venen neemt dit af)
Dwarsdoorsnede: opp (diameter vaten) bepaalde groep vaten, omgekeerd evenredig met
stroomsnelheid. Totale dwarsdoorsnede in arteriën en venen klein, in capillairen groot
20.3: Capillaire uitwisseling
Voedingsstoffen en gassen, twee richtingsverkeer, homeostase handhaving
Capillairen bevatten: poriën (fenestraties), intercellulaire spleten, endotheelcellen
Uitwisseling door:
Filtratie: grote moleculen passen niet door poreuze membraan en blijven achter, door
hydrostatische druk, stroomt van hoge naar lage druk. Begin capillair
Diffusie: hoge naar lage concentratie, concentratie gradiënt, O2 en hormonen hebben geen
concentratie, CO2 en ander afval wel, gehele capillair. Diffusie snelheid is afhankelijk van:
afstand diffusie plaats, concentratie gradiënt, grote moleculen/ionen. Vetachtige stoffen,
organische moleculen (hydrofoob, wand is t ook), ionen , grote hydrofiele moleculen
(speciale kanalen of spleten) diffunderen
Reabsorptie (osmose): semipermeabel membraan, verschil in hoeveelheid opgeloste
deeltjes, colloïd osmotische druk (CCOD) is eiwitten van opgeloste eiwitten. Verplaatsing
vocht
Transcytose: vette hormonen en vetzuren d.m.v. exocytose. Opnemen in blaasjes
Bulkstroom: vanuit weefsels naar lymfestelsel. Voedingsstoffen, hormonen en opgeloste
stoffen verdeeld over de weefsels
Begin veel druk in capillair => meer filtratie, aan t eind minder druk => reabsorptie
Capillaire hydrostatische druk (CHD): druk in cappilair begin 35mmHg eind 18mmHg
Interstitiële hydrostatische druk (IHD): buiten capillair van -6 tot 6mmHG – teken in
uitzuigende kracht interstitum
Netto capillaire hydrostatische druk (NHD) = IHD-CHD, IHD hoger dan CHD dan richting
capillair
Colloïd osmotische druk:
Capillair gericht (CCOD), eiwitten in capillair
Leerdoelen
Je kunt uitleggen:
Wat het slagvolume en het hartminuutvolume is;
Wat de factoren zijn die van invloed zijn op het slagvolume en het hartminuutvolume;
Welke factoren van invloed zijn op de bloeddruk en hoe deze gereguleerd worden;
Welke mechanismen en drukverschillen een rol spelen bij de verplaatsing van vloeistoffen tussen de
capillairen en de interstitiële ruimten;
Welke centrale en plaatselijke regelmechanismen samenwerken om de doorbloeding en de
bloeddruk in de weefsels te reguleren;
Welke verschillende factoren een rol spelen bij de zuurstofbalans van het myocard en hoe ze dat
doen;
Op welke wijze het cardiovasculaire stelsel reageert op de behoefte bij inspanning of bloedverlies.
Voorbereidingen:
Lees:
Gafni, Brouwer en van Wonderen (2021). Anatomie en fysiologie. Amstelveen; ExpertCollege:
Hoofdstuk 19 Cardiovasculair systeem – het hart:
19.9 Cardiale output
HMV (hartritmevolume) cardiale output, bloed per minuut door 1 ventrikel
HF (hartfrequentie) aantal slagen per minuut, vrouwen kleinere SV => HF hoger, beïnvloed
autonome zenuwstelsel, ionen en hormonen. Positieve chronotroop = hartslag verhogend,
verlagend = negatieve chronotroop. Medulla oblongata bij de hersenstam ontvangt alle info
en daaruit past hij het hart aan
SV (slagvolume)
HMV = HF x SV
Hartreserve = maximale HMH – rust HMV
Tachycardie => te hoge hartslag > 100 p/m in rust
Bradycardie => < 60 p/m rust
Sympathisch zenuwstelsel => sinus knoop => AV knoop => noradrenaline bind aan beta-
adrenerge receptoren wat het hartslag laat stijgen
Parasympatisch => vezels nervus vagus => SA => AV knoop => acetylchlorine bindt aan
muscarinereceptoren => kalium kanalen open => hyperpolarisatie => HF daalt
Propioceptoren informeren uit spieren en gewrichten het hartcentrum. Ook
baroreceptroren (bloeddruk) informeert hartcentrum.
Adrenaline en noradrenaline (catecholamines) invloed HF gemaakt in bijniermerg
Thyroxine = schildklierhormoon bij tachycardie => hartfalen
Grootste chonotrope effect (krachtige hartslag) =kalium => hart blijft aangespannen. Hypo-
hyperkaliëmie (aangespannen). Hypo (verlaagd)- hypercalciëmie (verhoogd)
SV = EDV – ESV. EDV= einddiastolyisch volume (invloed: duur ventriculaire diastole en
veneuze terugkeer) en ESV= eindsystolisch volume (invloed: contractiliteit SV omhoog en
afterload hoof verkleint SV)
- Preload: uitrekking myocardcellen tijden ventriculaire diastole, hoe hoger EDV hoe
hoger preload. Franksterling hoe meer bloed in hart, hoe meer preload, hoe hoger SV.
Bainbridge reflex = uitrekken pacemaker cellen SA-knoop => snellere depolarisatie => HF
omhoog (voorkomt over vullen)
- Contractiliteit: kracht myocardspiercellen samentrekken systole. Verhogen = positief
inotroop (brengen calcium binnen) te veel = hartstilstand. Hypercalciëmie en adrenaline.
Verlagen is negatief inotroop (minder calcium) bij hypertensie, betablokkers
, - Afterload: spanning ventrikel om semilunaire kleppen openen (aorta/pulmunalis), hoe
grote afterload hoe groter periode isovolumetrisch contractie, hoe korter ventriculaire
ejectie, hoe groter ESV. Slagvolume neemt af afterload neemt toe
Hoofdstuk 20 Cardiovasculair systeem – bloedvaten en circulatie:
20.2: De relatie tussen totale dwarsdoorsnede en bloedstroomsnelheid
Stroomsnelheid: hoeveelheid bloed dat getransporteerd wordt per tijdseenheid (cm/s) is
ook wel radius4, straal tot de macht 4. Vasoconstrictie (vaatvernauwing) en vasodilatie
(vaatverwijding). Aorta stroomsnelheid het grootst, capillairen t kleinst: lange weg met
frictie afgelegd, kleinere diameter (meer weerstand in venen minder), totale
dwarsdoorsnede neemt toe ( in venen neemt dit af)
Dwarsdoorsnede: opp (diameter vaten) bepaalde groep vaten, omgekeerd evenredig met
stroomsnelheid. Totale dwarsdoorsnede in arteriën en venen klein, in capillairen groot
20.3: Capillaire uitwisseling
Voedingsstoffen en gassen, twee richtingsverkeer, homeostase handhaving
Capillairen bevatten: poriën (fenestraties), intercellulaire spleten, endotheelcellen
Uitwisseling door:
Filtratie: grote moleculen passen niet door poreuze membraan en blijven achter, door
hydrostatische druk, stroomt van hoge naar lage druk. Begin capillair
Diffusie: hoge naar lage concentratie, concentratie gradiënt, O2 en hormonen hebben geen
concentratie, CO2 en ander afval wel, gehele capillair. Diffusie snelheid is afhankelijk van:
afstand diffusie plaats, concentratie gradiënt, grote moleculen/ionen. Vetachtige stoffen,
organische moleculen (hydrofoob, wand is t ook), ionen , grote hydrofiele moleculen
(speciale kanalen of spleten) diffunderen
Reabsorptie (osmose): semipermeabel membraan, verschil in hoeveelheid opgeloste
deeltjes, colloïd osmotische druk (CCOD) is eiwitten van opgeloste eiwitten. Verplaatsing
vocht
Transcytose: vette hormonen en vetzuren d.m.v. exocytose. Opnemen in blaasjes
Bulkstroom: vanuit weefsels naar lymfestelsel. Voedingsstoffen, hormonen en opgeloste
stoffen verdeeld over de weefsels
Begin veel druk in capillair => meer filtratie, aan t eind minder druk => reabsorptie
Capillaire hydrostatische druk (CHD): druk in cappilair begin 35mmHg eind 18mmHg
Interstitiële hydrostatische druk (IHD): buiten capillair van -6 tot 6mmHG – teken in
uitzuigende kracht interstitum
Netto capillaire hydrostatische druk (NHD) = IHD-CHD, IHD hoger dan CHD dan richting
capillair
Colloïd osmotische druk:
Capillair gericht (CCOD), eiwitten in capillair