Week 1: Recht in het algemeen........................................................................................................... 1
Verheugt hoofdstuk 1......................................................................................................................... 2
Hoorcollege 1..................................................................................................................................... 2
Hoorcollege 2..................................................................................................................................... 2
Week 2: Recht en staat......................................................................................................................... 8
Verheugt hoofdstuk 2: Recht en staat................................................................................................ 8
Verheugt hoofdstuk 3: De wetgeving............................................................................................... 13
Hoorcollege 1................................................................................................................................... 22
Hoorcollege 2................................................................................................................................... 26
Week 3: Procesrecht.......................................................................................................................... 29
Verheugt hoofdstuk 4: De rechtspraak............................................................................................. 29
Verheugt hoofdstuk 10: Burgerlijk procesrecht................................................................................32
Hoorcollege 1................................................................................................................................... 38
Hoorcollege 2................................................................................................................................... 44
Week 4: Burgerlijk recht – algemeen................................................................................................ 47
Verheugt hoofdstuk 6: Burgerlijk recht – kernbegrippen..................................................................47
Verheugt hoofdstuk 8: Overeenkomstenrecht..................................................................................53
Verheugt hoofdstuk 11: Ondernemingsrecht....................................................................................60
Hoorcollege 1................................................................................................................................... 66
Hoorcollege 2................................................................................................................................... 70
Week 5: Burgerlijk recht – overeenkomstenrecht............................................................................73
Verheugt hoofdstuk 8: Overeenkomstenrecht..................................................................................73
Hoorcollege 1................................................................................................................................... 83
Hoorcollege 2................................................................................................................................... 88
Week 6: Burgerlijk recht – verbintenissen uit de wet......................................................................91
Verheugt hoofdstuk 9: Verbintenissen uit de wet.............................................................................91
Hoorcollege 1................................................................................................................................... 98
Hoorcollege 2................................................................................................................................. 101
Week 7: Burgerlijk recht – goederenrecht......................................................................................104
Verheugt hoofdstuk 6 p. 4: Absolute en relatieve vermogensrechten............................................104
Verheugt hoofdstuk 7: Goederenrecht........................................................................................... 107
Hoorcollege 1................................................................................................................................. 115
Hoorcollege 2................................................................................................................................. 120
Week 1: Recht in het algemeen
,Verheugt hoofdstuk 1
Recht = het geheel van geldende rechtsregels op dit moment (ook: positief recht/objectief recht) Law
= 1e betekenis van recht
Subjectief recht = de bevoegdheid die iemand aan de regel van het positief recht verleend -> een recht
is dus ook een aan het objectieve recht ontleende individuele bevoegdheid Right
= 2e betekenis van recht
Monistisch Systeem: kennen we in NL, grondrechten uit het EVRM hebben een directe werking in
onze rechtsorde, daarmee vrijwillige inperking van onze soevereiniteit (bevoegdheid van elk land de
eigen rechtsorde vat te stellen en onderhouden).
2 functies van het recht:
1. Ordering van menselijk gedrag door het stellen van rechtsregels; en
2. Handhaving van die regels door geschilbeslechting.
Organieke wetten: in de Gw staat soms dat over een bepaald onderwerp nadere wetgeving moet
worden gemaakt in een andere wet. De wet die die uitwerking bevat is een organieke wet.
Bestuursrecht is ook administratief recht.
Beschikking is een besluit van een overheidsorgaan in een individueel geval.
Materieel recht: inhoud van rechten en plichten
Formeel recht: betrekking op de handhaving van regels van het materieel recht in procedures voor de
rechter, ook; procesrecht.
Hoorcollege 1
Inleiding
Hoorcollege 2
Wat is recht?
- Een systeem van rechtsverhoudingen: recht probeert verhoudingen te formaliseren =
vastleggen -> wat zijn de rechten/plichten. Daarnaast is recht ook;
- Taal: recht is in beginsel geschreven (niet altijd; uitspraak rechter mondeling -> gaat in
beginsel voor)
- Een discursieve grootheid: een beredeneerd systeem (je moet het beargumenteren)
- Dynamisch: het recht veranderd continu, het is plaats en tijd gebonden (bijv. iedere week
nieuwe uitspraken van de HR)
- Internationalisering & internetionalisering: moet internationaal zijn (bijv. importeren
producten, je kunt niet met regels van ieder land rekening houden)
Filosofisch
- Ars boni et aequi (Celsus) -> kunst van redelijk en billelijk
- Honeste vivre, alterum non laedere suum cuique tribuere (Ulpianus) -> eerlijk leven, een
ander niet schaden en het ieder het zijne geven
- Der Inbegriff der Bedingungen, unter denen die Willkür des einen mit der Willkür des anderen
nach einem allgemeinen Gesetze der Freiheit zusammen vereinigt werden kann (Kant) -> als
ieder zich netjes gedraagt is het recht niet nodig -> je moet bedenken wat de ultieme vrijheid
voor een ander is, hoe kunnen de vrijheden naast elkaar bestaan, het recht van de een stopt
waar het recht van de ander begint.
Je zou algemene regels kunnen opstellen voor het recht -> bijvoorbeeld:
- Als je tekortschiet, moet je schade vergoeden (HR, 21 feb 1997, Wrongful birth ->
2
, Spiraal niet ingebracht, toch kind, arts moest schade van kosten van kind vergoeden -> er is
tekortgeschoten -> gedachte als je schade toebrengt moet je dit vergoeden -> hij moest de
kosten van verzorging en opvoeding betalen -> Ulpianus
- Je moet je aan je afspraken houden -> absoluut principe van het BW (EHRM, 10 april 2007,
Evans v.VK) -> vrouw was enigst ziek en hij eieren moesten worden ingevroren -> een van de
ouders mocht deze toestemming in te trekken -> man en vrouw uit elkaar -> man wilde dat
embryo’s moesten worden vernietigd -> zij deed beroep van recht op gezinsleven -> hoogste
rechters van Europees Hof oordeelde je moet je aan je afspraken houden.
Drie verhalen die gaan over hoe plaats je het binnen het recht
1. Orestes
Om goden goed gezind te zijn offert hij zijn dochter in Troje -> vrouw dood hem uit wraak -> daarna
weer zijn moeder door zijn zoon (wraak na wraak na wraak).
Wordt een rechtbank georganiseerd (gaat niet om de uitkomst, maar dat de uitspraak van de rechter
wordt geaccepteerd = welwillendheid), goden zien in de wraak moet een keer stoppen.
Belangrijk: we leggen het bij een derde neer die een oordeel velt (i.p.v. Actie reactie)
- Oresteia, wraak na wraak na wraak?
o Ius talionis -> oog om oog tand om tand
- Legitimiteit: woord van rechter accepteren, legitimiteit gaat op grond van de rechtsbronnen.
- Wij hebben nu een tripartiete geschilbeslechting -> een rechter zal het geschilbeslechtingen bij
twee partijen die tegenover elkaar staan -> want het is belangrijk dat conflicten eindigden
(Kwak: het recht begint bij tripartiete geschilbeslechting)
- Geschilbeslechting op verschillende manieren:
o Tussenpersoon: informeel, vrijwillig, beslissing is niet bindend
o Mediation: iets formeler, maar altijd vrijwillig, is niet bindend
o Arbitrage: meer formeel, je kunt wel vrijwillig deelnemen, maar beslissing is bindend
(niet zo bij mediation)
o Formele rechtspraak: is verplicht
- Art. 6 EVRM: Paraplu van alle rechtspraak (allemaal regels over rechtspraak)
2. Leviathan
Titel van boek van Hobbes. Hoe een geschil wordt opgelost is nu in de handen van de staat, vroeger
niet.
- Hobbes: zei we hebben de staatsmacht nodig (zag hij als een zeemonster, als Leviathan)
omdat mensen hun eigen conflicten niet kunnen oplossen -> staat geeft ook geweldsmonopolie
(doe je niet meer zelf), wel bedreigend.
o Homo homini lupus: oorlog van allen tegen allen
o Sociaal contract: macht naar soeverein met geweldsmonopolie
- Locke: we hebben de macht wel afgestaan (via een soort contract) maar staat moet zich ook
aan de regels houden (we moeten voorkomen dat het een zeemonster is, dat het zoveel macht
heeft en zoveel kan doen) -> staatsmacht is niet absoluut (maar begrensd en moet zich aan het
recht houden = legaliteitsbeginsel) = formele rechtstaat. Maar er moeten ook fundamentele
rechten zijn -> dit zorgde voor grondrechten.
o Legaliteitsbeginsel + grondrechten=rechtsstaat
Formele rechtstaat: gaat om de vorm (de overheid moet zich aan het recht houden)
Materiële rechtstaat: staat moet zich aan het recht houden, maar dit moet ook wat inhouden
(grondrechten).
- Rousseau: ging nog verder, maar had meer het idee van een stadstaat (zag hij niet als een
zeemonster). Hij dacht als mensen met elkaar praten ze tot een mening kwamen -> een soort
volkswil volenté général -> volk legt zichzelf de wet op, daarmee creëer je de democratie.
o Volkssoevereiniteit=
o Gevaar: als de helft + 1 dat vindt dan is dat zo (wij hebben dit niet in NL, want ook
materiële rechtstaat -> minderheden worden gewaarborgd).
3
, 3. Antigone
Voor het begrip van het huidige rechtsstelsel van belang. Het verschil tussen een formeel en materieel
rechtsbegrip.
Verhaal; landverrader mocht niet begraven worden van koning -> zus deed dit toch, maar zij zegt
netjes tegenover familie is belangrijker dan het recht (het natuurrecht).
- Hoger recht dan wettenrecht? (Mensenrechten)
Kan/mag/moet je soms ongehoorzaam zijn?
Natuurrecht: mensenrechten
- Radbruch
In beginsel geldt positieve recht, zelfs als het een onrechtvaardige inhoud heeft, tenzij
strijd tussen wet en gerechtigheid zo ondraaglijk groot is, dat wet ‘unrichtiges Recht’
= echt onrechtvaardig is.
Tijdens de tweede WO was het bijv. niet strafbaar om erge dingen te doen. Kunnen
nazi’s alsnog vervolgd worden op basis van dit ‘hogere recht’ = natuurrecht. Ja er is
geoordeeld dat ze alsnog veroordeeld werden.
Voorbeeld: de gehoorzame grensbewaker
- In Oost-Duitsland (DDR) wilde ze voorkomen dat mensen vluchtten, dus werden ze
doodgeschoten. OM vervolgde een man, die ook iemand heeft neergeschoten (terwijl dat
moest van het Duitse recht destijds), maar OM zegt er was nog een hoger recht ->
DDR-Schiessbefehle
- Recht heeft wel wat regels over dit ‘hogere recht’:
- Art. 7 lid en 2 EVRM -> algemene rechtsbeginselen zoals door volkeren worden erkend, zelfs
als het niet strafbaar in de wet -> het natuurrecht staat soms boven het legaliteitsbeginsel
Vinden we ook in art. 16 GW
Legaliteitsbeginsel -> sommige dingen zijn zo erg dat je je niet aan de wet mag
houden
Rechtszekerheid (voor de ander altijd duidelijk wat er gebeurt -> biedt geen ruimte voor een
individueel geval) vs. rechtvaardigheid (rekening houden met de omstandigheden van het geval -> en
die veranderen)
- Bijv. Haviltex arrest -> is dat wat in een contract staat altijd bindend? (Bedrijf verkocht
bloemsnijmachines, in contract staat; tot eind 1976 heeft de koper het recht de machine terug
te geven -> dit doet hij -> wederpartij geeft aan dit was niet de bedoeling)
-> Botsing tussen rechtvaardigheid: verkoper krijgt die machine terug (terwijl hij gedaald is
waarde) en rechtszekerheid.
- Moet contract zuiver taalkundig worden uitgelegd?
- Uitleg HR: “Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen
in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten
toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten
verwachten.” “Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen
behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.”
- Taal, dus context (dus niet 3 + 5 = 8, maar tot 1976 heeft koper het recht…-> er kunnen
gevallen zijn waarbij bepaalde dingen kunnen meespelen)
- Recht bestaat uit tegenspraak
- Je moet ook rekening houden met retoriek (verkooppraatjes)
Iemand verkoopt de auto aan de ander -> hij is ooit betrokken geweest bij ongeluk ->
koper wil de overeenkomst ontbinden.
Het hangt hier af of je te maken hebt met twee professionele verkopers of twee
consumenten -> antwoord is niet alleen gelegen in de feiten van de casus maar dus
ook de omstandigheden (de hoedanigheid van de personen).
4