Medische kennis S1.2
Week 1 aantekeningen
Informatie/prikkel van buitenaf
(stimulus) > ergens in het brein wordt
het verwerkt > reactie (respons).
- Het centrale zenuwstelsel ligt
binnen het benige omhulsel
van de schedel en de
wervelkolom: de hersenen en
het ruggenmerg.
- Het perifere zenuwstelsel zijn
alle andere zenuwen die
‘uitlopen’, dit is de verbinding
tussen het czs en de rest van
het lichaam.
- Frontale kwab: regelt veel
mentale functies; plannen,
organiseren, systematisch nadenken
- Pariëtale kwab: integratie info
zintuigen, informatie wordt
samengevoegd.
- Temporale kwab: gehoor/verbale
geheugen/taal
- Occipitale kwab: visuele
informatieverwerking
- Cerebellum: kleine hersenen,
motoriek.
Cerebrum = grote hersenen
De hersenen zijn op te delen in twee
hemisferen (twee helften: links-rechts)
Deze zijn verbonden dmv een soort brug
genaamd corpus callosum. De groeven
verdelen de hersenen in vier kwabben
(genaamd lobus). De beide hersenhelften
werken veel samen.
De hersenstam is verantwoordelijk voor
de vitale functies. Het neocortex (bovenste laag van twee hersenhelften) bevat grijze en
witte stof. Witte stof bestaat uit bundels axonen met een myelineschede en is functioneel de
geleidingsweg waarlangs impulsgeleiding plaatsvindt. De zenuwen in het PZS en de banen in
het CZS bestaan uit witte stof. Grijze stof bestaat uit zenuwcellichamen en dendrieten, grote
delen van het czs, zenuwknopen (ganglia) en kernen bestaan uit grijze stof.
- Neuron = zenuwcel = essentieel voor communicatie tussen cellen. 3 typen neuronen:
Sensibele neuronen Afferent (naar czs toe) In verbinding met zintuigcel
Schakelcellen/interneuronen Beide Schakelcellen in czs
Motorische neuronen Efferent (hersen > spier) In verbinding met spier/klier
,Week 1 leerdoelen: zenuwstelsel
Ken je de algemene functies van het zenuwstelsel
Alle functies van het zenuwstelsel zijn erop gericht om in te spelen op gebeurtenissen om je
heen, in de buitenwereld en binnenin het lichaam.
1. Regulatie van activiteiten van weefsels en organen: organen en weefsels worden
geremd of gestimuleerd in hun activiteiten wanneer veranderingen in of buiten het
lichaam daartoe aanleiding geven. Hard wegrennen in een levensbedreigende
situatie is hiervan een voorbeeld.
2. Coördinatie van activiteiten van weefsels en organen: weefsels en organen moeten
in hun werking nauwkeurig op elkaar afgestemd zijn. Het doel hiervan is dat er een
optimale samenwerking tot stand komt tussen weefsels binnen een orgaan of tussen
organen onderling. Verhoogde maagperistaltiek door spiercontracties in de
maagwand bijvoorbeeld, is alleen zinvol als tegelijkertijd maagsapproductie door
maagsapklieren plaatsvindt.
3. Regulatie en coördinatie van vegetatieve functies: de vijf vegetatieve functies zijn:
circulatie, spijsvertering, uitscheiding, ademhaling en begrenzing door de huid. Zij
worden uitgevoerd door de vegetatieve orgaanstelsels. Deze stelsels moeten in
nauwe samenwerking hun werk doen. Regulatie en coördinatie van de vegetatieve
functies gebeuren meestal buiten de wil om; je kunt er geen of weinig invloed op
uitoefenen.
4. Coördinatie van contacten met de buitenwereld; het coördineren van contacten
met de wereld om je heen is een belangrijke functie van het zenuwstelsel.
Bewustwording van omstandigheden in de buitenwereld en er eventueel op reageren
zijn noodzakelijk voor zelfbehoud. Reageren op veranderingen in de buitenwereld
kan enerzijds de vegetatieve functies ondersteunen. Anderzijds is de mens een
sociaal wezen en heeft hij soortgenoten nodig.
5. Coördinatie van psychische functies: de coördinatie van psychische functies spreekt
misschien wel het meest tot de verbeelding. Deze functie van het zenuwstelsel heeft
te maken met bewustzijn en zelfbewustzijn, met leren en herinneren, met stemming
en emoties, met denken, dromen en fantaseren, met driften en beheersing, met
talent, karakter en creativiteit.
- Er voor zorgen dat organen in hun werking goed op elkaar afgestemd zijn zodra het
lichaam in actie komt (bijvoorbeeld fietsen, praten);
- regulatie en coördinatie van de werking van de vegetatieve stelsels (bijvoorbeeld
spijsvertering, ademhaling);
- het bewust kunnen reageren op wat er om je heen gebeurt, door verwerking van de
waarnemingen (bijvoorbeeld hard wegrennen bij gevaar);
- coördinatie van de psychische functies (bijvoorbeeld herinneren, je kunnen
beheersen, fantaseren).
Weet je het onderscheid tussen het animale en het vegetatieve zenuwstelsel
- Het vegetatieve zenuwstelsel (autonoom zenuwstelsel/onwillekeurig zenuwstelsel)
reguleert de vegetatieve stelsels en coördineert de samenwerking tussen
afzonderlijke stelsels (integratie van vegetatieve stelsels). Deze regulatie/coördinatie
gebeurt meestal onbewust. Denk aan: bloeddrukgehalte, regulatie van
darmactiviteit, regulatie ademfrequentie. Effectoren van het vegetatieve
, zenuwstelsel zijn glad spierweefsel, hartspierweefsel en de klierweefsels. Het stelsel
bestaat uit twee delen:
o Sympathische zenuwstelsel is actief wanneer de mens uiterlijk actief is
(fietsen, zwemmen). Het stimuleert de hartactiviteit en de ademhaling, en het
verhoogt de bloedsuikerspiegel en de spanning van de skeletspieren. De
spijsvertering wordt daarentegen geremd.
o Parasympatische zenuwstelsel is juist actief als de mens uiterlijk passief is,
zoals rustig aan het eten. Stimuleert spijsvertering, vertraagt hart- en
ademactiviteiten. Vrijwel alle organen zijn verbonden met beide
zenuwstelsels die hun werking nauwkeurig op elkaar zijn afgestemd.
- Het animale zenuwstelsel (willekeurige zenuwstelsel) regelt de animale integratie
(integratie van de mens met zijn omgeving) het begrip ‘willekeurig’ heeft hier de
betekenis van onder invloed van de wil. Het animale zenuwstelsel reguleert de
wisselwerking tussen het individu en de omgeving. Belangrijke facetten bij animale
integratie zijn de communicatie en gedrag. De effectoren van het animale stelsel zijn
de dwarsgestreepte spieren (skeletspieren).
Begrijp je de algemene werking van het zenuwstelsel
De werking van het zenuwstelsel verloopt in een bepaald patroon dat uit drie functionele
fasen bestaat:
1. Sensorische input het centrale zenuwstelsel ontvangt impulsen van sensoren die
prikkels hebben waargenomen (inwendig/uitwendig) en ze vervolgens omgezet
hebben in impulsen.
2. in het centrale zenuwstelsel vindt verwerking van de sensorische input plaats. Dat
begint met het doorgeven van de informatie naar een bepaalde in de hersenen of het
ruggenmerg. Daar wordt de informatie bewust of onbewust ‘beoordeeld’, vooral
i.v.m. mogelijke bedreigingen van de homeostase of met een fysieke beschadiging
van het lichaam. Vervolgens bepaalt het centrale zenuwstelsel hoe het lichaam erop
gaat reageren.
3. Wanneer het lichaam moet/wil reageren op een inwendige of uitwendige
verandering sturen de hersenen of het ruggenmerg remmende of stimulerende
impulsen naar de organen die de reactie moeten uitvoeren. Deze organen noem je
effectoren; zijn altijd spieren of klieren. Het aansturen door het zenuwstelsel van de
effectoren wordt motorische output genoemd. (er gaan impulsen vanuit de hersenen
naar de organen)
Ken je de anatomische en fysiologische indeling van het zenuwstelsel
Anatomische indeling (CZS + PZS) gaat uit van de bouw en de ligging van het zenuwstelsel.
We onderscheiden twee delen: het centrale zenuwstelsel (CZS) en het perifere zenuwstelsel
(PZS).
Het centrale zenuwstelsel is het deel dat binnen de benige omhulsels van schedel en
wervelkolom ligt. Het zijn de hersenen en het ruggenmerg. De hersenen bestaan van
craniaal naar caudaal uit: grote hersenen, tussenhersenen, hersenstam, kleine hersenen.
Hersenen vormen 98% totale zenuwstelsel het perifere zenuwstelsel bevindt zich
grotendeels buiten de schedel en de wervelkolom. De delen van het perifere zenuwstelsel
vormen de verbindingswegen tussen het czs en de rest van het lichaam, de periferie.
, (Verbind CZS met de organen) Tot dit stelsel behoren: hersenzenuw, de ruggenmergzenuw,
grensstreng en de zenuwen van het vegetatieve stelsel.
Fysiologische indeling (vegetatieve + animale zs)is gebaseerd op de functie/werking van het
zenuwstelsel. Daarbij kan je drie aspecten onderscheiden: integratie, hiërarchie en richting
van het signaal.
- Integratie: Het goed op elkaar afgestemd zijn van de organen en gebeurd zowel door
het vegetatieve als animale zenuwstelsel. Vegetatieve integratie: activiteiten van de
vijf vegetatieve stelsel nauwkeurig op elkaar afgestemd. Animale integratie:
integratie van de mens met zijn omgeving.
- Hiërarchie: onderscheiding van niveaus in de regelcentrale. Grote hersenen hoger
niveau: zij regelen het bewustzijn en laten het lichaam al of niet reageren.
- Richting van het signaal: Vanuit het CZS gaan impulsen naar het lichaam. Er gaan ook
veel impulsen vanuit het lichaam naar de hersenen (bv vanuit zintuigen). De
informatiestroom binnen het zenuwstelsel kan dus vanuit twee richtingen verlopen.
o Wanneer de impuls van perifeer naar centraal verloopt, is er sprake van
aanvoer van informatie naar het CZS toe = afferente informatie (aanvoerend).
o Wanneer de impuls van centraal naar perifeer verloopt, gaan de signalen van
het CZS weg = efferente informatie (afvoerend)
Ook binnen het CZS zijn er 2 hoofdrichtingen impulsen die van boven (hoog niveau) naar
beneden (laag niveau) lopen maken gebruik van afdalende banen (efferent/motorische, van
CZS naar effectoren) > van laag naar hoog: opstijgende banen (afferent/sensibele, komen
vanuit sensoren richting CZS). Korte zenuwbanen zijn niet efferent of afferent maar
verzorgen schakeling binnen het CZS.
Ken je de bouw en functie van de verschillende typen cellen van het zenuwweefsel;
Aan het zenuwweefsel kun je twee typen cellen onderscheiden: neuronen (doorsturen van
impulsen) en neuroglia (ondersteuning/bescherming/onderhoud v/d neuronen).
Neuronen (zenuwcel)
Functionele eenheid van het zenuwstelsel. De cel heeft een groot cellichaam en bevat
behalve de kern veel celorganellen. De cel heeft twee of meer draadvormige uitlopers
(zenuwvezels), deze bevatten cytoplasma en kunnen kort of lang zijn. De functie van
neuronen is impulsgeleiding. Er zijn twee type zenuwvezels:
- De axon: vervoert impulsen van het cellichaam af. Neuron heeft altijd maar 1 axon
(lang en weinig vertakkingen) deze heeft een vettige omhulling van myelineschede
(zenuwmergschede). Deze omhulling wordt regelmatig onderbroken, deze
onderbreking heet insnoeringen van Ranvier. Uiteinde axon is vertakt en het
uiteinde van elke vertakking is verbreed: hiermee maakt axon contact met andere
(zenuw)cellen; de impulsen worden op
deze plaats aan een andere cel
overgedragen.
- De dendrieten: zijn meestal vrij kort.
Vervoeren impulsen (gekregen van
andere zenuwcellen) naar het eigen
cellichaam toe. Een neuron kan heel veel
Week 1 aantekeningen
Informatie/prikkel van buitenaf
(stimulus) > ergens in het brein wordt
het verwerkt > reactie (respons).
- Het centrale zenuwstelsel ligt
binnen het benige omhulsel
van de schedel en de
wervelkolom: de hersenen en
het ruggenmerg.
- Het perifere zenuwstelsel zijn
alle andere zenuwen die
‘uitlopen’, dit is de verbinding
tussen het czs en de rest van
het lichaam.
- Frontale kwab: regelt veel
mentale functies; plannen,
organiseren, systematisch nadenken
- Pariëtale kwab: integratie info
zintuigen, informatie wordt
samengevoegd.
- Temporale kwab: gehoor/verbale
geheugen/taal
- Occipitale kwab: visuele
informatieverwerking
- Cerebellum: kleine hersenen,
motoriek.
Cerebrum = grote hersenen
De hersenen zijn op te delen in twee
hemisferen (twee helften: links-rechts)
Deze zijn verbonden dmv een soort brug
genaamd corpus callosum. De groeven
verdelen de hersenen in vier kwabben
(genaamd lobus). De beide hersenhelften
werken veel samen.
De hersenstam is verantwoordelijk voor
de vitale functies. Het neocortex (bovenste laag van twee hersenhelften) bevat grijze en
witte stof. Witte stof bestaat uit bundels axonen met een myelineschede en is functioneel de
geleidingsweg waarlangs impulsgeleiding plaatsvindt. De zenuwen in het PZS en de banen in
het CZS bestaan uit witte stof. Grijze stof bestaat uit zenuwcellichamen en dendrieten, grote
delen van het czs, zenuwknopen (ganglia) en kernen bestaan uit grijze stof.
- Neuron = zenuwcel = essentieel voor communicatie tussen cellen. 3 typen neuronen:
Sensibele neuronen Afferent (naar czs toe) In verbinding met zintuigcel
Schakelcellen/interneuronen Beide Schakelcellen in czs
Motorische neuronen Efferent (hersen > spier) In verbinding met spier/klier
,Week 1 leerdoelen: zenuwstelsel
Ken je de algemene functies van het zenuwstelsel
Alle functies van het zenuwstelsel zijn erop gericht om in te spelen op gebeurtenissen om je
heen, in de buitenwereld en binnenin het lichaam.
1. Regulatie van activiteiten van weefsels en organen: organen en weefsels worden
geremd of gestimuleerd in hun activiteiten wanneer veranderingen in of buiten het
lichaam daartoe aanleiding geven. Hard wegrennen in een levensbedreigende
situatie is hiervan een voorbeeld.
2. Coördinatie van activiteiten van weefsels en organen: weefsels en organen moeten
in hun werking nauwkeurig op elkaar afgestemd zijn. Het doel hiervan is dat er een
optimale samenwerking tot stand komt tussen weefsels binnen een orgaan of tussen
organen onderling. Verhoogde maagperistaltiek door spiercontracties in de
maagwand bijvoorbeeld, is alleen zinvol als tegelijkertijd maagsapproductie door
maagsapklieren plaatsvindt.
3. Regulatie en coördinatie van vegetatieve functies: de vijf vegetatieve functies zijn:
circulatie, spijsvertering, uitscheiding, ademhaling en begrenzing door de huid. Zij
worden uitgevoerd door de vegetatieve orgaanstelsels. Deze stelsels moeten in
nauwe samenwerking hun werk doen. Regulatie en coördinatie van de vegetatieve
functies gebeuren meestal buiten de wil om; je kunt er geen of weinig invloed op
uitoefenen.
4. Coördinatie van contacten met de buitenwereld; het coördineren van contacten
met de wereld om je heen is een belangrijke functie van het zenuwstelsel.
Bewustwording van omstandigheden in de buitenwereld en er eventueel op reageren
zijn noodzakelijk voor zelfbehoud. Reageren op veranderingen in de buitenwereld
kan enerzijds de vegetatieve functies ondersteunen. Anderzijds is de mens een
sociaal wezen en heeft hij soortgenoten nodig.
5. Coördinatie van psychische functies: de coördinatie van psychische functies spreekt
misschien wel het meest tot de verbeelding. Deze functie van het zenuwstelsel heeft
te maken met bewustzijn en zelfbewustzijn, met leren en herinneren, met stemming
en emoties, met denken, dromen en fantaseren, met driften en beheersing, met
talent, karakter en creativiteit.
- Er voor zorgen dat organen in hun werking goed op elkaar afgestemd zijn zodra het
lichaam in actie komt (bijvoorbeeld fietsen, praten);
- regulatie en coördinatie van de werking van de vegetatieve stelsels (bijvoorbeeld
spijsvertering, ademhaling);
- het bewust kunnen reageren op wat er om je heen gebeurt, door verwerking van de
waarnemingen (bijvoorbeeld hard wegrennen bij gevaar);
- coördinatie van de psychische functies (bijvoorbeeld herinneren, je kunnen
beheersen, fantaseren).
Weet je het onderscheid tussen het animale en het vegetatieve zenuwstelsel
- Het vegetatieve zenuwstelsel (autonoom zenuwstelsel/onwillekeurig zenuwstelsel)
reguleert de vegetatieve stelsels en coördineert de samenwerking tussen
afzonderlijke stelsels (integratie van vegetatieve stelsels). Deze regulatie/coördinatie
gebeurt meestal onbewust. Denk aan: bloeddrukgehalte, regulatie van
darmactiviteit, regulatie ademfrequentie. Effectoren van het vegetatieve
, zenuwstelsel zijn glad spierweefsel, hartspierweefsel en de klierweefsels. Het stelsel
bestaat uit twee delen:
o Sympathische zenuwstelsel is actief wanneer de mens uiterlijk actief is
(fietsen, zwemmen). Het stimuleert de hartactiviteit en de ademhaling, en het
verhoogt de bloedsuikerspiegel en de spanning van de skeletspieren. De
spijsvertering wordt daarentegen geremd.
o Parasympatische zenuwstelsel is juist actief als de mens uiterlijk passief is,
zoals rustig aan het eten. Stimuleert spijsvertering, vertraagt hart- en
ademactiviteiten. Vrijwel alle organen zijn verbonden met beide
zenuwstelsels die hun werking nauwkeurig op elkaar zijn afgestemd.
- Het animale zenuwstelsel (willekeurige zenuwstelsel) regelt de animale integratie
(integratie van de mens met zijn omgeving) het begrip ‘willekeurig’ heeft hier de
betekenis van onder invloed van de wil. Het animale zenuwstelsel reguleert de
wisselwerking tussen het individu en de omgeving. Belangrijke facetten bij animale
integratie zijn de communicatie en gedrag. De effectoren van het animale stelsel zijn
de dwarsgestreepte spieren (skeletspieren).
Begrijp je de algemene werking van het zenuwstelsel
De werking van het zenuwstelsel verloopt in een bepaald patroon dat uit drie functionele
fasen bestaat:
1. Sensorische input het centrale zenuwstelsel ontvangt impulsen van sensoren die
prikkels hebben waargenomen (inwendig/uitwendig) en ze vervolgens omgezet
hebben in impulsen.
2. in het centrale zenuwstelsel vindt verwerking van de sensorische input plaats. Dat
begint met het doorgeven van de informatie naar een bepaalde in de hersenen of het
ruggenmerg. Daar wordt de informatie bewust of onbewust ‘beoordeeld’, vooral
i.v.m. mogelijke bedreigingen van de homeostase of met een fysieke beschadiging
van het lichaam. Vervolgens bepaalt het centrale zenuwstelsel hoe het lichaam erop
gaat reageren.
3. Wanneer het lichaam moet/wil reageren op een inwendige of uitwendige
verandering sturen de hersenen of het ruggenmerg remmende of stimulerende
impulsen naar de organen die de reactie moeten uitvoeren. Deze organen noem je
effectoren; zijn altijd spieren of klieren. Het aansturen door het zenuwstelsel van de
effectoren wordt motorische output genoemd. (er gaan impulsen vanuit de hersenen
naar de organen)
Ken je de anatomische en fysiologische indeling van het zenuwstelsel
Anatomische indeling (CZS + PZS) gaat uit van de bouw en de ligging van het zenuwstelsel.
We onderscheiden twee delen: het centrale zenuwstelsel (CZS) en het perifere zenuwstelsel
(PZS).
Het centrale zenuwstelsel is het deel dat binnen de benige omhulsels van schedel en
wervelkolom ligt. Het zijn de hersenen en het ruggenmerg. De hersenen bestaan van
craniaal naar caudaal uit: grote hersenen, tussenhersenen, hersenstam, kleine hersenen.
Hersenen vormen 98% totale zenuwstelsel het perifere zenuwstelsel bevindt zich
grotendeels buiten de schedel en de wervelkolom. De delen van het perifere zenuwstelsel
vormen de verbindingswegen tussen het czs en de rest van het lichaam, de periferie.
, (Verbind CZS met de organen) Tot dit stelsel behoren: hersenzenuw, de ruggenmergzenuw,
grensstreng en de zenuwen van het vegetatieve stelsel.
Fysiologische indeling (vegetatieve + animale zs)is gebaseerd op de functie/werking van het
zenuwstelsel. Daarbij kan je drie aspecten onderscheiden: integratie, hiërarchie en richting
van het signaal.
- Integratie: Het goed op elkaar afgestemd zijn van de organen en gebeurd zowel door
het vegetatieve als animale zenuwstelsel. Vegetatieve integratie: activiteiten van de
vijf vegetatieve stelsel nauwkeurig op elkaar afgestemd. Animale integratie:
integratie van de mens met zijn omgeving.
- Hiërarchie: onderscheiding van niveaus in de regelcentrale. Grote hersenen hoger
niveau: zij regelen het bewustzijn en laten het lichaam al of niet reageren.
- Richting van het signaal: Vanuit het CZS gaan impulsen naar het lichaam. Er gaan ook
veel impulsen vanuit het lichaam naar de hersenen (bv vanuit zintuigen). De
informatiestroom binnen het zenuwstelsel kan dus vanuit twee richtingen verlopen.
o Wanneer de impuls van perifeer naar centraal verloopt, is er sprake van
aanvoer van informatie naar het CZS toe = afferente informatie (aanvoerend).
o Wanneer de impuls van centraal naar perifeer verloopt, gaan de signalen van
het CZS weg = efferente informatie (afvoerend)
Ook binnen het CZS zijn er 2 hoofdrichtingen impulsen die van boven (hoog niveau) naar
beneden (laag niveau) lopen maken gebruik van afdalende banen (efferent/motorische, van
CZS naar effectoren) > van laag naar hoog: opstijgende banen (afferent/sensibele, komen
vanuit sensoren richting CZS). Korte zenuwbanen zijn niet efferent of afferent maar
verzorgen schakeling binnen het CZS.
Ken je de bouw en functie van de verschillende typen cellen van het zenuwweefsel;
Aan het zenuwweefsel kun je twee typen cellen onderscheiden: neuronen (doorsturen van
impulsen) en neuroglia (ondersteuning/bescherming/onderhoud v/d neuronen).
Neuronen (zenuwcel)
Functionele eenheid van het zenuwstelsel. De cel heeft een groot cellichaam en bevat
behalve de kern veel celorganellen. De cel heeft twee of meer draadvormige uitlopers
(zenuwvezels), deze bevatten cytoplasma en kunnen kort of lang zijn. De functie van
neuronen is impulsgeleiding. Er zijn twee type zenuwvezels:
- De axon: vervoert impulsen van het cellichaam af. Neuron heeft altijd maar 1 axon
(lang en weinig vertakkingen) deze heeft een vettige omhulling van myelineschede
(zenuwmergschede). Deze omhulling wordt regelmatig onderbroken, deze
onderbreking heet insnoeringen van Ranvier. Uiteinde axon is vertakt en het
uiteinde van elke vertakking is verbreed: hiermee maakt axon contact met andere
(zenuw)cellen; de impulsen worden op
deze plaats aan een andere cel
overgedragen.
- De dendrieten: zijn meestal vrij kort.
Vervoeren impulsen (gekregen van
andere zenuwcellen) naar het eigen
cellichaam toe. Een neuron kan heel veel