Hoorcolleges Vrienden en Vrije Tijd
Week 1
Hoorcollege 1 Peer relations: present, past and promise (Marc Noom)
Er zijn twee belangrijke domeinen die zich bezighielden met peers:
De vergelijking van relaties met familieleden versus relaties met leeftijdsgenoten:
- Bestaande relaties versus gekozen relaties (belangrijk verschil bij familie en
leeftijdsgenoten)
- Verticale relaties versus horizontale relaties (ouders hebben een hiërarchische positie
ten opzichte van jou, vriendschappen zijn meer horizontale relaties)
Er staan drie thema’s centraal:
1. Kenmerken: Hoe zien interacties tussen leeftijdsgenoten eruit?
Cultuur speelt ook een rol. Denk hierbij aan de volgende twee niveaus:
- Macro: individualistisch, collectivistisch
- Micro: school, leeftijdgenoten, buurt, sport
2. Effecten: Wat zijn de antecedenten en consequenties van deze interacties?
,Denk aan vragen als: Wat gaat vooraf aan de interacties tussen leeftijdsgenoten? Hoe zien
de interacties eruit? Wat volgt er op de interacties tussen leeftijdsgenoten?
Er zijn twee benaderingen voor het onderzoeken van effecten:
- Oorzaak – gevolg: enkelvoudige causale relaties
- Levensloop perspectief: voortdurende wisselwerking tussen oorzaak en gevolg
Er is hierbij relatief weinig aandacht voor leeftijdseffecten, omdat onderzoek hiernaar vraagt
om een normatief kader. Wat is het ‘normale’ ontwikkelingsverloop voor interacties tussen
leeftijdsgenoten? Er zijn nogal wat individuele verschillen in ‘normale’
ontwikkelingstrajecten.
3. Proces: Welke mechanismen zijn verantwoordelijk voor deze effecten?
Verandering van grote abstracte theorieën naar eclectische benaderingen, omdat:
- Abstracte theorieën soms moeilijker vertaalbaar zijn naar concrete hypotheses
(equilibrium)
- Verandering van laboratoriumonderzoek naar real-life experimenten
- Er zijn veel verschillende processen werkzaam tijdens peer interacties, en er is geen
overkoepelende theorie die alles omvat
Wensen voor de toekomst:
- De complexiteit van onze analyses vergroten; wederzijdse invloed tussen individuele,
dyadische en groepskenmerken
- Meer onderzoek naar psychofysiologische en neurologische processen; wisselwerking
tussen gedrag en biologie
- Meer onderzoek naar de relaties tussen systemen; invloed tussen gezinssysteem en
peer-systeem
- Meer onderzoek naar contextuele variatie; culturele kenmerken opnemen in het
model
,2a Basiscollege Sociometrische perspectieven (Marc Noom)
Wat is een sociometrische status?
- Vanuit individueel perspectief: een stabiel kenmerk van een individu
- Vanuit sociaal perspectief: reactie van de groep op een individu
- Beiden: een combinatie van individuele kenmerken en groepsprocessen
Dit begrip kun je ook bekijken vanuit een ontwikkelingsperspectief:
- Beginfase: gedrag > status (bepaald gedrag en als gevolg daarvan krijg je ene
bepaalde status)
- Latere fase: status > reputatie > gedrag (je hebt een bepaalde status verworven en
hebt daardoor ook een bepaalde reputatie te behouden waardoor je ander gedrag
vertoont. Het proces kan nu dus ook omgekeerd)
Theoretische overwegingen
Meetmethode
, Bij de meting is het van belang om te realiseren dat er sprake is van:
- Een referentiegroep: lid van welke groep?
- Een beoordelende groep versus de beoordeelde groep (iedereen in een groep is
zowel beoordelend als beoordeeld)
- Sociometrische meting: emotionele criteria/ subjectief
- Peer meting: reputatie/ objectief
Dataverzameling
- Nominaties door leeftijdsgenoten
- Iedereen beoordeelt iedereen (dit is wenselijk)
- Paarsgewijze vergelijking
Ethiek: wat doet het met jou of met andere om te beoordelen of beoordeeld te worden?
Belangrijk om hierover na te denken bij een methode als deze.
Kwantificeren
- Goed om te realiseren dat de ruwe scores niet bruikbaar zijn bij een methode als
deze. Deze zijn namelijk erg afhankelijk van de groep waar je in zit en ook de grootte
van de groep.
- Vaak gewerkt met een vorm van gestandaardiseerde scores
- Kans scores
- Proportie score
Classificatie
- Op basis van dimensies (continu)
- Op basis van types (categorisch)
- Combinatie de beste benadering
Uitkomsten van onderzoek
Moreno (1934): basis voor sociometrie
Peery (1979): vier statussen op basis van sociale voorkeur en sociale impact
- Populair: impact +, voorkeur +
- Aardig: impact -, voorkeur +
- Geïsoleerd: impact -, voorkeur –
- Afgewezen: impact +, voorkeur –
Coi et al. (1982) en Newcomb & Bukowski (1983): Welke drie vind je het aardigst?
Welke drie zijn je beste vrienden? Vijf statussen: populair, aardig, geïsoleerd,
afgewezen en gemiddeld.
Parkhurst & Hopmeyer (1998) en Cillessen & Mayeux (2004): populariteit niet alleen
maar positief, maar ook samenhang met agressie.
Sociometrie is een handig hulpmiddel gebleken om kinderen in groepen te classificeren. De
methode is in de loop der jaren sterk verfijnd. Het lijkt dat een combinatie van een
categorische benadering en een continu benadering het meest effectief is:
- Categorisch voor toepassing in de praktijk
- Continu voor toepassing in onderzoek
Week 1
Hoorcollege 1 Peer relations: present, past and promise (Marc Noom)
Er zijn twee belangrijke domeinen die zich bezighielden met peers:
De vergelijking van relaties met familieleden versus relaties met leeftijdsgenoten:
- Bestaande relaties versus gekozen relaties (belangrijk verschil bij familie en
leeftijdsgenoten)
- Verticale relaties versus horizontale relaties (ouders hebben een hiërarchische positie
ten opzichte van jou, vriendschappen zijn meer horizontale relaties)
Er staan drie thema’s centraal:
1. Kenmerken: Hoe zien interacties tussen leeftijdsgenoten eruit?
Cultuur speelt ook een rol. Denk hierbij aan de volgende twee niveaus:
- Macro: individualistisch, collectivistisch
- Micro: school, leeftijdgenoten, buurt, sport
2. Effecten: Wat zijn de antecedenten en consequenties van deze interacties?
,Denk aan vragen als: Wat gaat vooraf aan de interacties tussen leeftijdsgenoten? Hoe zien
de interacties eruit? Wat volgt er op de interacties tussen leeftijdsgenoten?
Er zijn twee benaderingen voor het onderzoeken van effecten:
- Oorzaak – gevolg: enkelvoudige causale relaties
- Levensloop perspectief: voortdurende wisselwerking tussen oorzaak en gevolg
Er is hierbij relatief weinig aandacht voor leeftijdseffecten, omdat onderzoek hiernaar vraagt
om een normatief kader. Wat is het ‘normale’ ontwikkelingsverloop voor interacties tussen
leeftijdsgenoten? Er zijn nogal wat individuele verschillen in ‘normale’
ontwikkelingstrajecten.
3. Proces: Welke mechanismen zijn verantwoordelijk voor deze effecten?
Verandering van grote abstracte theorieën naar eclectische benaderingen, omdat:
- Abstracte theorieën soms moeilijker vertaalbaar zijn naar concrete hypotheses
(equilibrium)
- Verandering van laboratoriumonderzoek naar real-life experimenten
- Er zijn veel verschillende processen werkzaam tijdens peer interacties, en er is geen
overkoepelende theorie die alles omvat
Wensen voor de toekomst:
- De complexiteit van onze analyses vergroten; wederzijdse invloed tussen individuele,
dyadische en groepskenmerken
- Meer onderzoek naar psychofysiologische en neurologische processen; wisselwerking
tussen gedrag en biologie
- Meer onderzoek naar de relaties tussen systemen; invloed tussen gezinssysteem en
peer-systeem
- Meer onderzoek naar contextuele variatie; culturele kenmerken opnemen in het
model
,2a Basiscollege Sociometrische perspectieven (Marc Noom)
Wat is een sociometrische status?
- Vanuit individueel perspectief: een stabiel kenmerk van een individu
- Vanuit sociaal perspectief: reactie van de groep op een individu
- Beiden: een combinatie van individuele kenmerken en groepsprocessen
Dit begrip kun je ook bekijken vanuit een ontwikkelingsperspectief:
- Beginfase: gedrag > status (bepaald gedrag en als gevolg daarvan krijg je ene
bepaalde status)
- Latere fase: status > reputatie > gedrag (je hebt een bepaalde status verworven en
hebt daardoor ook een bepaalde reputatie te behouden waardoor je ander gedrag
vertoont. Het proces kan nu dus ook omgekeerd)
Theoretische overwegingen
Meetmethode
, Bij de meting is het van belang om te realiseren dat er sprake is van:
- Een referentiegroep: lid van welke groep?
- Een beoordelende groep versus de beoordeelde groep (iedereen in een groep is
zowel beoordelend als beoordeeld)
- Sociometrische meting: emotionele criteria/ subjectief
- Peer meting: reputatie/ objectief
Dataverzameling
- Nominaties door leeftijdsgenoten
- Iedereen beoordeelt iedereen (dit is wenselijk)
- Paarsgewijze vergelijking
Ethiek: wat doet het met jou of met andere om te beoordelen of beoordeeld te worden?
Belangrijk om hierover na te denken bij een methode als deze.
Kwantificeren
- Goed om te realiseren dat de ruwe scores niet bruikbaar zijn bij een methode als
deze. Deze zijn namelijk erg afhankelijk van de groep waar je in zit en ook de grootte
van de groep.
- Vaak gewerkt met een vorm van gestandaardiseerde scores
- Kans scores
- Proportie score
Classificatie
- Op basis van dimensies (continu)
- Op basis van types (categorisch)
- Combinatie de beste benadering
Uitkomsten van onderzoek
Moreno (1934): basis voor sociometrie
Peery (1979): vier statussen op basis van sociale voorkeur en sociale impact
- Populair: impact +, voorkeur +
- Aardig: impact -, voorkeur +
- Geïsoleerd: impact -, voorkeur –
- Afgewezen: impact +, voorkeur –
Coi et al. (1982) en Newcomb & Bukowski (1983): Welke drie vind je het aardigst?
Welke drie zijn je beste vrienden? Vijf statussen: populair, aardig, geïsoleerd,
afgewezen en gemiddeld.
Parkhurst & Hopmeyer (1998) en Cillessen & Mayeux (2004): populariteit niet alleen
maar positief, maar ook samenhang met agressie.
Sociometrie is een handig hulpmiddel gebleken om kinderen in groepen te classificeren. De
methode is in de loop der jaren sterk verfijnd. Het lijkt dat een combinatie van een
categorische benadering en een continu benadering het meest effectief is:
- Categorisch voor toepassing in de praktijk
- Continu voor toepassing in onderzoek