Uitleg H3 Biologie
Genotype, Fenotype
Het uiterlijk van mensen noem je het fenotype, en het ‘innerlijk’ beter gezegd de erfelijke
eigenschappen noem je het genotype. Het fenotype bestaat eigenlijk door je ouders, want
je gaat op hun lijken. En het genotype wordt bepaald op het moment dat de eicel wordt
bevrucht door een zaadcel. Bij de bevruchting komen de enkelvoudige chromosomen van
een zaadcel en de enkelvoudige chromosomen van een eicel bij elkaar. De bevruchte eicel
bevat dan weer chromosoomparen. Daardoor bevat hij ook weer genenparen en deze
genenparen zijn het genotype van het nieuwe organisme.
Geslachtschromosomen
De chromosomen die je geslacht bepalen noem je geslachtchromosomen. Je hebt twee
soorten geslachtschromosomen, het X-chromosoom en het Y-chromosoom. De
chromosomen van een man zijn XY en die van een vrouw zijn XX. Dus eigenlijk bepalen die
chromosomen wat je geslacht wordt. De grootste van deze 2 chromosomen is het X-
Chromosoom, en de kleinste het Y-chromosoom. Het X-chromosoom bevat meer DNA dan
het Y-chromosoom.
Symbolen voor genen
Voor een erfelijk eigenschap gebruik je een letter. Een dominant gen geef je aan met een
hoofdletter, en een recessief gen met een kleine letter. Bijvoorbeeld: een persoon die
homozygoot is voor krullend haar (dominant) geef je aan met AA. Een persoon die
heterozygoot is voor steil haar (recessief) geef je aan met aa. Een persoon die heterozygoot
is voor de haarvorm geef je aan met Aa. Het beste is wel om letters te gebruiken waarvan de
hoofdletters die duidelijk van vorm verschillen (dus niet P en p, maar bijv wel R en r).
Dominant/recessief
Dit is een voorbeeld bij bijvoorbeeld oogkleur. Het gen voor een bruine oogkleur is een
dominant gen. Dominant betekent dat bij aanwezigheid van dit allel, ongeacht wat het
andere gen is, de bijbehorende eigenschap tot uiting komt in het fenotype van het
organisme. Een recessief allel is een gen dat alleen tot uiting komt wanneer er geen
dominant allel aanwezig is.
Genotype, Fenotype
Het uiterlijk van mensen noem je het fenotype, en het ‘innerlijk’ beter gezegd de erfelijke
eigenschappen noem je het genotype. Het fenotype bestaat eigenlijk door je ouders, want
je gaat op hun lijken. En het genotype wordt bepaald op het moment dat de eicel wordt
bevrucht door een zaadcel. Bij de bevruchting komen de enkelvoudige chromosomen van
een zaadcel en de enkelvoudige chromosomen van een eicel bij elkaar. De bevruchte eicel
bevat dan weer chromosoomparen. Daardoor bevat hij ook weer genenparen en deze
genenparen zijn het genotype van het nieuwe organisme.
Geslachtschromosomen
De chromosomen die je geslacht bepalen noem je geslachtchromosomen. Je hebt twee
soorten geslachtschromosomen, het X-chromosoom en het Y-chromosoom. De
chromosomen van een man zijn XY en die van een vrouw zijn XX. Dus eigenlijk bepalen die
chromosomen wat je geslacht wordt. De grootste van deze 2 chromosomen is het X-
Chromosoom, en de kleinste het Y-chromosoom. Het X-chromosoom bevat meer DNA dan
het Y-chromosoom.
Symbolen voor genen
Voor een erfelijk eigenschap gebruik je een letter. Een dominant gen geef je aan met een
hoofdletter, en een recessief gen met een kleine letter. Bijvoorbeeld: een persoon die
homozygoot is voor krullend haar (dominant) geef je aan met AA. Een persoon die
heterozygoot is voor steil haar (recessief) geef je aan met aa. Een persoon die heterozygoot
is voor de haarvorm geef je aan met Aa. Het beste is wel om letters te gebruiken waarvan de
hoofdletters die duidelijk van vorm verschillen (dus niet P en p, maar bijv wel R en r).
Dominant/recessief
Dit is een voorbeeld bij bijvoorbeeld oogkleur. Het gen voor een bruine oogkleur is een
dominant gen. Dominant betekent dat bij aanwezigheid van dit allel, ongeacht wat het
andere gen is, de bijbehorende eigenschap tot uiting komt in het fenotype van het
organisme. Een recessief allel is een gen dat alleen tot uiting komt wanneer er geen
dominant allel aanwezig is.