Paragraaf 2.1 botten
Het skelet of beenderstelsel bestaat uit 206 beenderen of botten.
De functies van je skelet zijn:
stevigheid geven
Vorm geven
Bescherming geven
Beweging mogelijk maken
Je botten bestaan uit beenweefsel dat bestaat uit beencellen die in ringen groeien voor de
stevigheid. Ze maken een stof aan met veel kalk en een beetje lijmstof die tussen de
beencellen ligt. De lijmstof zorgt ervoor dat het bot een beetje kan bewegen en de kalk zorgt
ervoor dat het bot stevig is.
In je botten zitten bloedvaten om voedingstoffen aan te voeren en zenuwen zodat je pijn kan
voelen in je botten. In de pijpbeenderen (dat zijn langwerpige, ronde en dunne botten) zit
geel beenmerg (vetopslag) en in de platte beenderen zit rood beenmerg (bloedcellen
vormen)
Kraakbeenweefsel bestaat uit groepjes kraakbeencellen met daartussen een geleiachtige
stof met veel lijmstof en weinig kalk. Door kraakbeen aan het uiteinde van botten kan je
soepel bewegen en omdat je ribben met kraakbeen vastzitten aan je borstbeen kan je
borstkas bewegen bij het ademhalen.
Het skelet van baby’s bestaat bijna helemaal uit kraakbeen. Daardoor is hun skelet buigbaar,
maar niet stevig. Verbening is dat het kraakbeen verandert in been.
In de pijpbeenderen zitten groeischijven die kraakbeen maken dat weer wordt omgezet in
been. In de puberteit worden de groeischijven beencellen en stop je met groeien.
Je wervelkolom vangt schokken op door de dubbele s-vorm, die kan ingeduwd worden. En
door de kraakbeenschijven tussen de wervels, die kunnen ook een beetje ingeduwd worden.
Paragraaf 2.2 Botten Bewegen:
botten kunnen op verschillende manieren met elkaar verbonden zijn. Bijvoorbeeld met:
Een naadverbinding (niet beweeglijk)
Kraakbeen (een beetje beweeglijk)
Een vergroeiing (niet beweeglijk)
Een gewricht (beweeglijk)