1. In het boek van Vonk wordt beschreven dat mensen zich automatisch en snel
eerste indrukken van andere mensen vormen. Volgens Vonk gaat het vormen van
eerste indrukken volgens een bepaald principe, namelijk:
a. Quick and dirty
b. Grof en grondig
c. Trail and error
d. Fijnmazig en doortastend
2. Wanneer een groep spontaan en zonder dwang ontstaat zoals een
vriendengroep, dan spreken we van een:
a. Formele groep
b. Informele groep
c. Pseudogroep
d. Alle bovenstaande antwoorden kunnen van toepassing zijn
3. In het boek van Alblas wordt een viertal verklaringen voor groepsvorming
beschreven. Wanneer mensen een groep vormen omdat zij een collectieve
behoefte voelen en alleen met anderen hun doel kunnen bereiken, hebben we
een:
a. Evolutionaire verklaring voor groepsvorming
b. Culturele verklaring voor groepsvorming
c. Psychologische verklaring voor groepsvorming
d. Cognitieve verklaring voor groepsvorming
4. In het boek van Vonk wordt gesteld dat er grofweg twee soorten non-verbale
gedragingen zijn. Welke zijn dit?
a. Olfactorische en vocale
b. Vocale en fysieke
c. Fysieke visuele
d. Visuele en vocale
5. In het hoorcollege is het investmodel behandeld dat probeert dat verklaren
waarom vrouwen in een relatie blijven waarin ze mishandeld worden. In dit
model wordt de beslissing om de relatie wel of niet te beëindigen bepaald door
het gevoel van gebondenheid. Dit gevoel van gebondenheid wordt bepaald
door drie componenten. Welk antwoord is niet één van deze drie
componenten?
a. De manier van attributie
b. De grootte van investeringen
c. De kwaliteit van beschikbare alternatieven
d. De mate van tevredenheid
, 6. Twee projectgroepen zijn met hetzelfde project bezig aan de Hanzehogeschool
Groningen. De ene groep (A) heeft het erg gezellig met elkaar, ziet elkaar ook
buiten school en is een hecht groepje. De andere groep (B) is alleen bij elkaar
omdat het moet, maakt kort en zakelijk afspraken, verdeelt taken en komt weer
bij elkaar wanneer de taken af zijn om besproken te worden. Beide groepen
hebben dezelfde impliciete normen: ‘je moet werken om precies een 5.5 te
halen’, ‘niemand levert zijn bijbaan of sociale contacten in ten behoeve van
het project’ en ‘als we volgende week beginnen, komt het ook nog wel af’.
Bij de beoordeling blijkt dat groep A het veel slechter heeft gedaan dan groep
B. Wat is de beste verklaring voor dit resultaat?
a. Bij een lage groepscohesie is het effect van normen die geringe productiviteit
in de hand werken veel sterker dan in een groep met hoge groepscohesie.
b. Bij een hoge groepscohesie is het effect van normen die geringe productiviteit
in de hand werken veel sterker dan in een groep met lage groepscohesie.
c. Bij een hoge constructieve competitie is het effect van normen die geringe
productiviteit in de hand werken veel sterker dan in een groep met lage
constructieve competitie.
d. Bij een lage constructieve competitie is het effect van normen die geringe
productiviteit in de hand werken veel sterker dan in een groep met hoge
constructieve competitie.
7. Het boek van Vonk beschrijft de zogenaamde correspondente gevolgtrekking.
Of deze correspondente gevolgtrekking wordt gemaakt, hangt af van een
aantal factoren. Welke factor hoort daar niet bij?
a. De keuzevrijheid van de actor
b. De effecten van het gedrag
c. De wenselijkheid van het gedrag
d. De intentie van de actor
8. Mensen conformeren zich vaak in sociale situaties. In het boek van Alblas
wordt een drietal persoonskenmerken genoemd die de conformiteit doen
toenemen. Welke hoort daar niet bij?
a. Laag zelfbeeld
b. Sterke behoefte aan acceptatie
c. Grote overtuigingskracht
d. Sterke betrokkenheid bij de groep
9. Wat is een nadeel van een groep met een hoge cohesie?
a. Groepsleden ervaren teveel betrokkenheid waardoor de effectiviteit afneemt
b. Groepsleden kunnen zich sneller buitengesloten voelen door de rest
c. Negatieve groepsnormen worden strenger nageleefd en schaden dus de groep
d. Geen enkel antwoord is juist, want er is geen nadeel van een hoge cohesie
eerste indrukken van andere mensen vormen. Volgens Vonk gaat het vormen van
eerste indrukken volgens een bepaald principe, namelijk:
a. Quick and dirty
b. Grof en grondig
c. Trail and error
d. Fijnmazig en doortastend
2. Wanneer een groep spontaan en zonder dwang ontstaat zoals een
vriendengroep, dan spreken we van een:
a. Formele groep
b. Informele groep
c. Pseudogroep
d. Alle bovenstaande antwoorden kunnen van toepassing zijn
3. In het boek van Alblas wordt een viertal verklaringen voor groepsvorming
beschreven. Wanneer mensen een groep vormen omdat zij een collectieve
behoefte voelen en alleen met anderen hun doel kunnen bereiken, hebben we
een:
a. Evolutionaire verklaring voor groepsvorming
b. Culturele verklaring voor groepsvorming
c. Psychologische verklaring voor groepsvorming
d. Cognitieve verklaring voor groepsvorming
4. In het boek van Vonk wordt gesteld dat er grofweg twee soorten non-verbale
gedragingen zijn. Welke zijn dit?
a. Olfactorische en vocale
b. Vocale en fysieke
c. Fysieke visuele
d. Visuele en vocale
5. In het hoorcollege is het investmodel behandeld dat probeert dat verklaren
waarom vrouwen in een relatie blijven waarin ze mishandeld worden. In dit
model wordt de beslissing om de relatie wel of niet te beëindigen bepaald door
het gevoel van gebondenheid. Dit gevoel van gebondenheid wordt bepaald
door drie componenten. Welk antwoord is niet één van deze drie
componenten?
a. De manier van attributie
b. De grootte van investeringen
c. De kwaliteit van beschikbare alternatieven
d. De mate van tevredenheid
, 6. Twee projectgroepen zijn met hetzelfde project bezig aan de Hanzehogeschool
Groningen. De ene groep (A) heeft het erg gezellig met elkaar, ziet elkaar ook
buiten school en is een hecht groepje. De andere groep (B) is alleen bij elkaar
omdat het moet, maakt kort en zakelijk afspraken, verdeelt taken en komt weer
bij elkaar wanneer de taken af zijn om besproken te worden. Beide groepen
hebben dezelfde impliciete normen: ‘je moet werken om precies een 5.5 te
halen’, ‘niemand levert zijn bijbaan of sociale contacten in ten behoeve van
het project’ en ‘als we volgende week beginnen, komt het ook nog wel af’.
Bij de beoordeling blijkt dat groep A het veel slechter heeft gedaan dan groep
B. Wat is de beste verklaring voor dit resultaat?
a. Bij een lage groepscohesie is het effect van normen die geringe productiviteit
in de hand werken veel sterker dan in een groep met hoge groepscohesie.
b. Bij een hoge groepscohesie is het effect van normen die geringe productiviteit
in de hand werken veel sterker dan in een groep met lage groepscohesie.
c. Bij een hoge constructieve competitie is het effect van normen die geringe
productiviteit in de hand werken veel sterker dan in een groep met lage
constructieve competitie.
d. Bij een lage constructieve competitie is het effect van normen die geringe
productiviteit in de hand werken veel sterker dan in een groep met hoge
constructieve competitie.
7. Het boek van Vonk beschrijft de zogenaamde correspondente gevolgtrekking.
Of deze correspondente gevolgtrekking wordt gemaakt, hangt af van een
aantal factoren. Welke factor hoort daar niet bij?
a. De keuzevrijheid van de actor
b. De effecten van het gedrag
c. De wenselijkheid van het gedrag
d. De intentie van de actor
8. Mensen conformeren zich vaak in sociale situaties. In het boek van Alblas
wordt een drietal persoonskenmerken genoemd die de conformiteit doen
toenemen. Welke hoort daar niet bij?
a. Laag zelfbeeld
b. Sterke behoefte aan acceptatie
c. Grote overtuigingskracht
d. Sterke betrokkenheid bij de groep
9. Wat is een nadeel van een groep met een hoge cohesie?
a. Groepsleden ervaren teveel betrokkenheid waardoor de effectiviteit afneemt
b. Groepsleden kunnen zich sneller buitengesloten voelen door de rest
c. Negatieve groepsnormen worden strenger nageleefd en schaden dus de groep
d. Geen enkel antwoord is juist, want er is geen nadeel van een hoge cohesie