- Paragraaf 3.1 Leven in een broeikas
Leerdoelen
Je weet op welke manier de atmosfeer verwarmd wordt.
Je begrijpt het effect van het broeikaseffect op de aarde.
Je kunt uitleggen wat de stralingsbalans is.
Je weet dat de inkomende energie van de zon verdeeld wordt over de aarde.
Opwarming aardoppervlak
➔ Zon stuurt kortgolvige straling naar
aarde
➔ 20% door atmosfeer, 25% door wolken
en deeltjes opgenomen, 5%
gereflecteerd door aardoppervlak
➔ 50% wordt door aardoppervlak
geabsorbeerd met opwarming van
aardoppervlak tot gevolg
Opwarming atmosfeer
➔ Opgewarmde aarde zendt langgolvige
straling
➔ 10% verdwijnt naar de ruimte
➔ 90% wordt geabsorbeerd door de atmosfeer, waardoor hij verwarmt wordt
(broeikaseffect)
➔ Opgewarmde atmosfeer straalt een deel van warmte weer terug naar aarde
Broeikaseffect = het natuurlijke verschijnsel van de opwarming van de atmosfeer
door absorptie
● Atmosfeer laat kortgolvige straling van de zon goed door, maar houdt grootste
deel van langgolvige straling (van opgewarmde aarde door absorptie) vast
Stralingsbalans = het saldo van alle inkomende en uitgaande straling op een
bepaalde plaats
● Stralingsoverschot = positief saldo
● Stralingstekort = negatief saldo
Stralingsdichtheid = de hoeveelheid zonnestraling die per
oppervlakte-eenheid de atmosfeer binnenkomt
● Lage breedten (tropen) - hele jaar hoge stand van
zon, dus hoge stralingsdichtheid (grote invalshoek)
● Hoge breedten - alleen de meer uren zonlicht in het
zomerseizoen compenseren de lage
stralingsdichtheid een beetje
Als de zon schuin invalt (bijv. op zonnepanelen) is de
straling geconcentreerder.
1
, - Paragraaf 3.2 Warmtetransport door de atmosfeer
Leerdoelen
Je kunt uitleggen waardoor luchtdrukverschillen ontstaan.
Je kunt de wet van Buys Ballot toepassen.
Je kent de drie circulatiecellen.
Je kent de eigenschappen van hoge- en lagedrukgebieden.
Atmosferische circulatie = de verplaatsing van lucht in
de atmosfeer via de grote circulatiecellen en
windsystemen. Zorgt op aarde voor energietransport van
de lage breedten naar de hoge breedten.
➔ Verschillen in temperatuur aan het aardoppervlak
➔ Lucht bij warm gebied zet uit, wordt minder dicht
en stijgt op (luchtberg, hoge druk)
➔ Lucht bij koud gebied is lucht dichter (luchtdal, lage
druk)
➔ Lucht gaat van luchtberg naar luchtdal stromen
➔ Koude gebied - hogeluchtdrukgebied, warme
gebied - lageluchtdrukgebied
➔ Aan het aardoppervlak stroomt lucht nu van koude gebied (H) naar warme
gebied (L)
Wet van Buys Ballot
"Met de wind in de rug ondervindt een wind op het
noordelijk halfrond een afwijking naar rechts en
op het zuidelijk halfrond een afwijking naar links
(= corioliseffect)"
● Hadleycel - door verhitting stijgt lucht bij
evenaar op en verplaatst zich naar het
noorden en zuiden, deze daalt weer (op
35º) waardoor een hoge luchtdrukgebied
ontstaat, lucht gaat laag weer naar evenaar
toestromen
● Ferrelcel - vanuit onderin 35º stroomt lucht
naar 60º, deze stijgt hier op waardoor een
lagedrukgebied ontstaat op 60º, de lucht
hoog stroomt weer terug naar 35º
● Polairecel - lucht stroomt vanuit noord- en
zuidpool naar 60º, deze stijgt hier op
waardoor een lagedrukgebied ontstaat op 60º, de lucht hoog stroomt weer
terug naar de noord- en zuidpool
"Wind verplaatst zich altijd vanuit een hoge naar een lagedrukgebied."
2