1. Welke hersenzenuwen zijn er en wat zijn hun
functies?
Hersenzenuwen zijn zenuwen die direct uit de hersenen en de hersenstam komen
(in plaats van de zenuwen uit het ruggenmerg). Hierdoor wordt informatie
uitgewisseld tussen de hersenen en verschillende regio’s; met name het hoofd en
de nek worden geïnnerveerd door craniale zenuwen.
Alle hersenzenuwen komen in paren voren en zitten zowel aan de linker als de
rechter kant. Er zijn twaalf verschillende hersenzenuwen, die men aanduidt
tussen de I en XII afhankelijk van de plek waar ze vandaan komen. Nummer I
komt geheel uit de voorkant van de hersenen, terwijl de hoogste nummers uit de
achterkant en de hersenstam komen. Ook is er een nulde hersenzenuw
(terminale zenuw). De terminale zenuwen, n. olfactorius en n. opticus komt uit
het cerebrum of de voorkant van de hersenen. De rest komt allemaal uit de
hersenstam.
De craniale zenuwen maken deel uit van het perifere zenuwstelsel, met
uitzondering van n. olfactorius (I) en n. opticus (hersenzenuw II) (optische
zenuw), dit is een baan tussen het diencephalon en het retina vormt en daardoor
deel uitmaakt van het centraal zenuwstelsel. De axonen van de overige zenuwen
komen uit de hersenen en kunnen daardoor tot het perifere zenuwstelsel worden
gerekend.
Met uitzondering van de n. vagus dienen alle zenuwen voor structuren in het
hoofd en de nek. De n. vagus gaat verder door tot in de abdomen.
Net als de spinale zenuwen kunnen de hersenzenuwen zowel afferente als
efferente axonen bevatten. Als onderdelen van het animale zenuwstelsel stellen
deze het organisme in staat zich met zijn omgeving bezig te houden (somatische
vezels) ofwel ze reguleren als onderdelen van het vegetatieve zenuwstelsel het
inwendige lichaam (viscerale vezels). De combinatie van deze verschillende
‘algemene vezelkwaliteiten’ resulteer in vier mogelijke samenstellingen, die bij
voorkeur op de spinale zenuwen van toepassing zijn, maar ook bij de
hersenzenuwen een rol spelen.