Geschiedenis
Historische contexten H1
Intro:
Onder rijke landen van de wereld -> Nederland kleinste verschillen arm en rijk
(andere landen: Noorwegen, Zweden, Finland & IJsland)
Nederland: opmerkelijk burgerlijk karakter -> stadsburgers: mensen die leven in
handel en ambacht -> belangrijkste sociale en politieke groep
Centrale vraag: Hoe is Nederland burgerlijk geworden met relatief grote welvaart en
niet sterke republikeinse trekken
§1
De steden herleefden in Europa -> door handel herleefde de geldeconomie
Middeleeuwse herlevende steden: noorden van Italië & zuiden van de Nederlanden -
> 2 metropool regio’s
› Italië: macht handen van adel
› Nederlanden: burgers gaven toon aan: ‘poorters’ -> woonden binnen de
poorten
Wol nijverheid -> Vlaamse steden -> ‘lakens’ -> wollen stof waarvan kleding gemaakt
werd
Atrecht in 11e eeuw eerste Nederlandse stad waar lakennijverheid opbloeide ->
vergemakkelijkt door schapenhouder in regio
Atrecht: oude romeinse stad waar bisschop zetelde -> na 1000 weer in ontwikkeling -
> later: Brugge & Gent -> nieuwe centra gesticht rond Vlaamse graaf (Brugge) en
rond abdijen (Gent)
Tussen Noord- en Zuid-Europa bijna geen contacten -> onveiligheid maakte handel
over langere afstanden onmogelijk
Uitwisseling tussen Vlaanderen en Noord-Italië via jaarmarkten in Midden-Frankrijk -
> steden als Atrecht profiteerden hiervan
Rechtstreekse verbinding beter dan jaarmarkten -> zeeroutes -> steden met
verbinding met water gingen andere steden verdringen
In Brugge hadden veel Europeanen vertegenwoordiging
Duitse Hanze -> eerste verbinding tussen kooplieden
, Burgers in Vlaamse steden: gilden -> organisaties mensen zelfde beroep
Koopmansgilden: oudste en beste gilden -> later: ambachtsgilden
Brugge domineerde handel, Gent de textielnijverheid -> koopmans- en
ambachtslieden veel macht
Gilde ook sociaal en religieus -> elke gilde had beschermheilige en altaar
Geld -> edelmetaal -> grote bedragen in goud en zilver -> riskant
Daarom: wisselbrieven -> brief met bedrag aan wie deze schuldig was -> geld
ingewisseld bij bekende -> soort van bank -> cheque maar alleen voor
geadresseerde
Veel goederen meenemen -> riskant -> beurshandel -> koopcontracten terwijl de
goederen op een andere plek zijn
Stadsburgers wilden zelf beslissen over stadsbestuur en rechtspraak -> kregen van
de graaf van Vlaanderen stadsrecht -> zelfbestuur van de stad
Door steden te be voor oordelen kon een vorst tegenwicht creëren tegen zijn
adellijke leenmannen -> meer centrale macht in vorstendom
Vorst profiteerde van veel welvaart -> hogere belastingen -> legers en ambtenaren
huren -> tegenwicht tegen adel
Steden met stadsrechten -> feodale versnippering
Stedelijke burgerij -> rol van adel, ook van zaken van geestelijken -> armenzorg en
stadsscholen -> onderwijs en sociale zorg -> was terrein van geestelijken
‘Derde stand’ adel en geestelijken verdringen
Bonum commune -> algemeen belang -> onafhankelijke republikeinen
Guldensporenslag in 1302 -> Vlaamse burgers versloegen Franse soldaten
Origineel Vlaanderen bij Frankrijk -> graaf van Vlaanderen -> Franse leenman -> in
praktijk: onafhankelijke vorst
1300: Franse koning ruzie met Engeland -> stuurde pro-Engelse koers naar
Vlaanderen om te dwingen zijn kant te kiezen
Slagveld Kortrijk: leger verslaan door Vlaams leger uit stadsburgers -> ridders te
paard overwonnen door Vlaamse voetsoldaten
Slag zo genoemd door soldaten die gouden sporen droegen
Overwinning: neergang adel en opkomst burgerij -> logisch in Vlaanderen: meest
verstedelijkte en burgerlijkste gebied
14e eeuw: pestepidemie -> zwarte dood, ook zware hongersnood als gevolg mislukte
oogsten -> Vlaanderen kwam er snel bovenop
=> fundament burgerlijk Nederland -> handel en ambacht bloeide, macht steden
uit overwinning guldensporenslag
Historische contexten H1
Intro:
Onder rijke landen van de wereld -> Nederland kleinste verschillen arm en rijk
(andere landen: Noorwegen, Zweden, Finland & IJsland)
Nederland: opmerkelijk burgerlijk karakter -> stadsburgers: mensen die leven in
handel en ambacht -> belangrijkste sociale en politieke groep
Centrale vraag: Hoe is Nederland burgerlijk geworden met relatief grote welvaart en
niet sterke republikeinse trekken
§1
De steden herleefden in Europa -> door handel herleefde de geldeconomie
Middeleeuwse herlevende steden: noorden van Italië & zuiden van de Nederlanden -
> 2 metropool regio’s
› Italië: macht handen van adel
› Nederlanden: burgers gaven toon aan: ‘poorters’ -> woonden binnen de
poorten
Wol nijverheid -> Vlaamse steden -> ‘lakens’ -> wollen stof waarvan kleding gemaakt
werd
Atrecht in 11e eeuw eerste Nederlandse stad waar lakennijverheid opbloeide ->
vergemakkelijkt door schapenhouder in regio
Atrecht: oude romeinse stad waar bisschop zetelde -> na 1000 weer in ontwikkeling -
> later: Brugge & Gent -> nieuwe centra gesticht rond Vlaamse graaf (Brugge) en
rond abdijen (Gent)
Tussen Noord- en Zuid-Europa bijna geen contacten -> onveiligheid maakte handel
over langere afstanden onmogelijk
Uitwisseling tussen Vlaanderen en Noord-Italië via jaarmarkten in Midden-Frankrijk -
> steden als Atrecht profiteerden hiervan
Rechtstreekse verbinding beter dan jaarmarkten -> zeeroutes -> steden met
verbinding met water gingen andere steden verdringen
In Brugge hadden veel Europeanen vertegenwoordiging
Duitse Hanze -> eerste verbinding tussen kooplieden
, Burgers in Vlaamse steden: gilden -> organisaties mensen zelfde beroep
Koopmansgilden: oudste en beste gilden -> later: ambachtsgilden
Brugge domineerde handel, Gent de textielnijverheid -> koopmans- en
ambachtslieden veel macht
Gilde ook sociaal en religieus -> elke gilde had beschermheilige en altaar
Geld -> edelmetaal -> grote bedragen in goud en zilver -> riskant
Daarom: wisselbrieven -> brief met bedrag aan wie deze schuldig was -> geld
ingewisseld bij bekende -> soort van bank -> cheque maar alleen voor
geadresseerde
Veel goederen meenemen -> riskant -> beurshandel -> koopcontracten terwijl de
goederen op een andere plek zijn
Stadsburgers wilden zelf beslissen over stadsbestuur en rechtspraak -> kregen van
de graaf van Vlaanderen stadsrecht -> zelfbestuur van de stad
Door steden te be voor oordelen kon een vorst tegenwicht creëren tegen zijn
adellijke leenmannen -> meer centrale macht in vorstendom
Vorst profiteerde van veel welvaart -> hogere belastingen -> legers en ambtenaren
huren -> tegenwicht tegen adel
Steden met stadsrechten -> feodale versnippering
Stedelijke burgerij -> rol van adel, ook van zaken van geestelijken -> armenzorg en
stadsscholen -> onderwijs en sociale zorg -> was terrein van geestelijken
‘Derde stand’ adel en geestelijken verdringen
Bonum commune -> algemeen belang -> onafhankelijke republikeinen
Guldensporenslag in 1302 -> Vlaamse burgers versloegen Franse soldaten
Origineel Vlaanderen bij Frankrijk -> graaf van Vlaanderen -> Franse leenman -> in
praktijk: onafhankelijke vorst
1300: Franse koning ruzie met Engeland -> stuurde pro-Engelse koers naar
Vlaanderen om te dwingen zijn kant te kiezen
Slagveld Kortrijk: leger verslaan door Vlaams leger uit stadsburgers -> ridders te
paard overwonnen door Vlaamse voetsoldaten
Slag zo genoemd door soldaten die gouden sporen droegen
Overwinning: neergang adel en opkomst burgerij -> logisch in Vlaanderen: meest
verstedelijkte en burgerlijkste gebied
14e eeuw: pestepidemie -> zwarte dood, ook zware hongersnood als gevolg mislukte
oogsten -> Vlaanderen kwam er snel bovenop
=> fundament burgerlijk Nederland -> handel en ambacht bloeide, macht steden
uit overwinning guldensporenslag