Week 1, hoofdstuk 1: Sentences; functions and patterns
Nu al geen zin meer.
Er zijn vier redenen waarom mensen communiceren:
1. Iemand informeren Declarative (subject – whole verb)
2. Informatie van iemand krijgen Interrogative (part of verb – subject – rest of verb)
3. Iemand iets laten doen Imperative (verb by itself)
4. Iemands houding over iets uitdrukken Exclamatory (‘How’… or ‘What a’… rest)
Voorbeeld:
Declarative John is leaving
Interrogative Is John leaving?
Imperative Leave!
Exclamatory How awful John is leaving!
Dus:
Rollen:
,Sentence patterns
Je bent lekker bezig jel, ga zo door.
Intransitive verbs Running pattern
Bestaat uit een subject en predicator (vaak) gevolgd door een adverbial.
John is running (fast)
S P (A)
Copula verbs Being pattern
Bestaat uit een subject en predicator gevolgd door subject attribute.
John is fast (in the game)
John is the runner (as usual)
S P SA (A)
Monotransitive verb doing/seeing pattern
Bestaat uit een subject en predicator gevolgd door een direct object.
John kicked the ball
John saw the ball (when it was thrown by peter)
S P DO (A)
Ditransitive verbs giving/buying pattern
Bestaat uit een subject, predicator, indirect (or benefacive) object en een direct object.
John gave Peter the ball
John bought Peter the ball (for his birthday)
S P IO DO (A)
Er zijn in deze constructie drie participanten:
- Een persoon die iets geeft of doet voor/aan iemand subject
- Het iets dat wordt gegeven of gedaan direct object
- De ontvanger indirect of benefactive object
, Verschil indirect en benefactive object
Bij een indirect object weet je zeker dat de ontvanger het iets dat is gegeven in handen heeft
(john gave peter the ball) Peter heeft de bal in handen dus dit is indirect object. Bij (john
bought peter the ball) weet je niet zeker of peter de bal in handen heeft en dit is dus
benefactive.
Een gemakkelijke manier om deze twee uit elkaar te houden is de woordvolgorde te
veranderen. De prepositie to staat gelijk aan een indirect object, for voor een benefactive. (I
give the ball to you // I bought the ball for you).
Complex-transitive verbs making/considering pattern
Deze zin bestaat uit een subject, predicator en direct object waarbij het direct object wordt
gevolgd door een object attribute die alleen het direct object beschrijft.
They made John the umpire
John considered the ball out
S P DO OA
Dit hele verhaal komt ook weer in hoofdstuk 4. Waarom weet niemand. Herhaling zal wel
goed zijn.
Week 2, hoofdstuk 2: Sentences; simple, compound and complex
- Independent / main clauses
o Deze vormen een betekenisvolle unit op zichzelf
- Dependent / subordinate clauses
o Deze functioneren als een onderdeel van de main clause.
Zinnen zijn simple, compound, complex of compound-complex.
Simple sentence
Een simple sentence bestaat uit 1 main clause. Dit betekent niet dat de zin daardoor kort is:
S P A A
The waitresses / are basking / in the sun / like a herd of skinned seals, /
A
their pinky-brown bodies shining with oil.
Compound sentence
Bestaat uit twee of meer main clauses. Een belangrijke eigenschap is dat ze een gevestigde
volgorde hebben, wanneer de volgorde van de zin veranderd, verandert dus de betekenis.
Er zijn een aantal coordinators die gebruikt worden om een compound sentence te vormen.
Denk aan het ezelsbruggetje FANBOYS (schouderklopje voor jezelf. Goed bedacht):