Oudhoogduitse literatuur (? – 1000)
Tacticus was een Romeinse geschiedschrijver. Hij is nooit hier geweest. In zijn verhalen beschrijft hij
de vroegste geschiedenis van onze voorouders. Hij verteld wat hun gewoonten en gebruiken waren.
De gebieden kwamen voor een groot deel onder Romeins gezag en volgens de Romeinen waren de
Germanen goede soldaten. Tijdens deze overheersing werden veel mensen tot het Christendom
bekeerd, onder andere de latere bisschop Ulfilas. Hij maakte voor de net bekeerde Christenen een
Bijbelvertaling in de Gotische taal.
In 800 liet Karel de Grote zich in Rome tot keizer kronen en bezat al grote delen van Europa. Ook
tijdens zijn regeerperiode bekeerden veel mensen, vaak door middel van geweld, tot het
Christendom. Karel de Grote heeft veel betekent voor de cultuur.
Van literatuur is in deze tijd nog nauwelijks sprake. Bijna alles werd mondeling overgeleverd. Enkele
strijdliederen en toverspreuken werden uiteindelijk opgeschreven. Belangrijk is het Hildebrandslied,
wat wordt gezien als het eerste geschreven literaire werk in het Duits, waarin een duel tussen vader
en zoon wordt beschreven.
Na 800 had de literatuur een voornamelijk christelijk karakter en het was de bedoeling om mensen
kennis te laten nemen van het goede van het Christendom.
Ridderliteratuur tijdens de hoofse periode van de Middeleeuwen (1100 – 1300)
De ridderstand was bepalend voor de maatschappij en het leven van alledag. De lage adel en de niet-
edelen stonden onder de hoge adel. Ze waren afhankelijk van het feodale systeem. Onder leiding van
Barbarossa vonden de eerste kruistochten plaats. Diegene die terug kwamen hadden gebruiken
meegenomen die opgenomen werden in het sociale en culturele leven van de adel. De leefregels
waren streng en ingewikkeld. Uiteindelijk ontstaat de hoofse ethiek, waarin de vier ridderidealen een
heel grote rol spelen.
Ook vrouwen kregen een meer gerespecteerde positie in de samenleving en men maakte zich iets
vrijer van de kerk. Er werden veel kathedralen gebouwed en de literatuur had een religieus karakter
gericht op God en het hiernamaals, wat ook wel memento mori wordt genoemd. In de literatuur
streefde men naar een pure zuivere literatuur, qua inhoud en qua vorm.
De late middeleeuwen (1300 – 1500)
Geleidelijk werd de invloed van de hoge adel minder. De hoofse cultuur verviel steeds meer en
speelde uiteindelijk geen rol meer. De rol van de adel en de burchten werd overgenomen door de
steden.
Door de uitvinding van de boekdrukkunst kwamen brede lagen van de bevolking in aanraking met
literatuur, wat leidde tot een versimpeling van de literatuur. De literatuur diende ter lering ende
vermaak. Het moest niet te moeilijk zijn. Oude ridderverhalen werden luchtig naverteld en de
schelmenroman deed zijn intrede.
In het toneel wordt er onderscheid gemaakt tussen twee richtingen: de Fastnachtspiele, wereldlijke
boertige kluchten en de passiespelen, het lijden en sterven van Jezus Christus staat centraal.