Literatur 5 Vormärz (1825-1848) und poetischer Realismus (1850-
1895)
De Vormärz gaat over de tijd van 1825 tot maart 1848 (Maartrevoluties). In die maand
braken veel revolutionaire onrusten uit in steden van de Duitse Bond. De Vormärz reageert
op de Franse revolutie. De veranderingen van Napoleon worden teruggedraaid. De filosoof
Karl Marx kwam het Communistische Manifest. Auteurs in de Vormärz brachten
maatschappelijke en politieke problemen aan het licht. De tekstsoorten die vooral gebruikt
worden waren politieke gedichten, liederen, brieven en reisberichten, want die konden
persoonlijke ervaringen en politieke boodschappen goed overbrengen. Een belangrijke
auteur van deze tijd is Georg Büchner. In zijn pamflet Der Hessische Landbote bekritiseerd hij
de slechte toestand in zijn land zo duidelijk dat hij moet vluchten. Heinrich Heine begint als
een romanschrijver, maar word daarna radicaler.
Het onderwerp van de literatuur van de Poetischer Realismus is de realiteit van de burgerij.
In de tweede helft van de 19e eeuw was er industriële vooruitgang in wetenschap en
economie. Er ontstaat een nieuwe laag in de maatschappij en dit leidt tot
(arbeids)conflicten. De Darwin-theorie en filosofieën van Feuerbach en Marx veranderen de
kijk op de wereld. Burgerlijke schrijvers reageren op politieke ontwikkelingen. Het poëtisch
realisme wil in het alledaagse het bijzondere ontdekken en benadrukken. De tekstsoorten
die vooral gebruikt worden zijn de roman en de novelle. In die literaire genres kunnen de
thema’s het best worden vormgegeven. Belangrijke auteurs zijn Theodor Fontante en
Theodor Storm.
Belangrijke personen
Karl Marx - Communistische Manifest
Georg Büchner - Der Hessische Landbote, Woyzeck
Heinrich Heine
Theodor Fontane - Effi Briest, John Maynard
Theodor Storm - Der Schimmelreiter
Literatur 6 Jahrhundertwende und Moderne (1895-1930)
Aan het eind van de 19e eeuw zijn er in Europa grote ontwikkelingen in de wetenschap en
techniek. De industrialisering brengt nieuwe sociale conflicten met zich mee. Er komen
nieuwe kunstvormen en kunstenaars breken met de realistische weergave van de wereld.
Kunst wordt autonoom (l’art pour l’art). Belangrijke kunststromingen zijn het expressionisme
(Alfred Wolkenstein, Jakob van Hoddis), het dadaïsme (Kurt Schwitters, Hugo Ball) en het
kubisme. Het expressionisme komt in opstand met schreeuwende kleuren en vertrokken
perspectieven tegen de kijkgewoontes van de burgerlijke wereld. Het hectische leven in de
grote stad en de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) zijn centrale thema’s. Het dadaïsme
rebelleert tegen maatschappelijke en artistieke conventies met hun zogenaamde Anti-Kunst.
Ze werken met shock, chaos en schandaal. Ze vernietigen de traditionele kunstvormen en
vermengen eerder streng gescheiden artistieke middelen zoals poëzie, kunst, film en muziek.
Het kubisme maakt de overgang naar abstracte schilderkunst. De nieuwe zakelijkheid was
een stilistische reactie binnen het expressionisme. Kenmerken zijn zakelijk, nuchter en
observerend. Vertegenwoordigers zijn Bertolt Brecht en Erich Maria Remarque.
Belangrijke personen
Alfred Wolkenstein – Städter (expressionisme)