1. Wat is de anatomie, histologie en functie van het
respiratoire alveolaire membraan?
De respiratoire zone begint in de terminale bronchiolen die overgaan in de
respiratoire bronchiolen. Deze kleinste bronchiolen gaan over in de alveolar
ducts, wiens wanden bestaan uit ringen van glad spierweefsel, weefselvezels en
uitstulpende alveoli. De alveolar ducts leiden tot clusters van alveoli die men
alveolar sacs of alveolar
saccules. In je longen heb je
ongeveer 3 miljoen alveoli. In
totaal heb je 70 m2 respiratoire
membraan. De wanden van het
alveolaire membraan bestaan
uit een enkele laag van
epitheel cellen, die men type I
alveolaire cellen noemt. Over
deze cellen zit een dun basaal
membraan.
De buitenkant van de alveoli
wordt dik bepakt met
pulmonale capillaire. De
capillaire hebben een diameter
van 5 micrometer, waar precies
een rode bloedcel doorheen
past. Hierdoor zit er geen
bloedplasma meer tussen
capillaire wand en wand van de
erytrocyt en de diffusieafstand
kleiner wordt.
De capillaire en de alveolaire wanden samen met hun basaal membraan noemt
men het respiratoire membraan. Dit is een bloed-lucht barrière, waarbij aan een
kant gas stroomt en aan de andere kant bloed. Gasuitwisseling vindt plaats door
diffusie door het membraan, waarbij O2 van de alveolus naar het bloed gaat en
CO2 het bloed verlaat en in de gas-gevulde alveoli komt.
Verspreid tussen de plaveisel type
I cellen dat het grootste gedeelte
van de alveolaire wanden vormen,
liggen de kubisch vormige type II
cellen. Type II alveolaire cellen
scheiden surfactant af, dat de
alveolaire oppervlakte omgeeft.
Type I cellen nemen surfactant op,
zodat er constante uitwisseling
plaatsvindt. Ook scheiden de type
II cellen een aantal antimicrobiële
eiwitten af, die helpen bij
immuniteit.
Ook zitten er brushcellen in de
alveoli, deze meten de kwaliteit
van de lucht in de longen.