Casus 4
1. Wat is klaring?
De snelheid waarmee stoffen worden geklaard uit een plasma, spelen een
belangrijke rol bij het meten van de excretiefunctie van de nier.
Renale klaring van een stof is het volume van plasma dat compleet geklaard
wordt per eenheid van tijd. Echter is dit nooit helemaal mogelijk, aangezien geen
enkele stof altijd geheel wordt geklaard. Renale klaring is echter wel een goede
methode om de nierfuncties (filtratie, resorptie, secretie) en de bloedstroom in de
nieren te meten.
Om de hoeveelheid voorurine te bepalen die per tijdseenheid via de
glomerulusfiltratie wordt geproduceerd, maakt men gebruikt van het feit dat
sommige polysachariden wel de wand van de glomerulus kunnen passeren, maar
niet door de tubuluscellen worden terug geresorbeerd en niet worden
uitgescheiden, zodat de hoeveelheid die in het filtraat terechtkomt ook in de
urine terug te vinden is.
Oorspronkelijk werd hiervoor inuline gebruikt. Wanneer men de
inulineconcentratie van het bloedplasma kent (dat door middel van een infuus op
een bepaalde waarde wordt gehouden) en tevens de hoeveelheid inuline die per
minuut in de urine wordt uitgescheiden, kan men bereken uit hoeveel milliliter
plasma dit afkomstig is. Men noemt dit de bepaling van de inuline klaring.
Onder klaring verstaat men het volume bloedplasma dat per minuut volledig van
een bepaalde stof wordt gezuiverd.
U xV
C= P
[A]p x plasmavolume = [A]u x urinevolume/t
[A]p x plasmavolume = absoluut aantal deeltjes
[A]u x urinevolume/t
Hierin is U de concentratie van de stof in de urine (mg/L), V de urineproductie
(ml/min.) en P de concentratie van de stof in het plasma (mg/L). C (clearance)
wordt dus uitgedrukt in ml/min.
Omdat de in het glomerulusfiltraat aanwezige inuline volledig wordt
uitgescheiden in de urine, wordt deze hoeveelheid gefiltreerd plasma volledig
gezuiverd van inuline. De inulineklaring is dus gelijk aan de glomerulusfiltratie en
bedraagt voor een gezonde volwassene ongeveer 125 ml/min.
Bij het bepalen van de klaring van een stof moet men zich realiseren dat de nier
een hoeveelheid bloedplasma nooit volledig van een bepaalde stof zuivert. In
feite wordt een groter volume plasma slechts voor een deel gezuiverd. De klaring
geeft dus geen reëel volume aan. Stoffen zoals inuline, die worden gefiltreerd,
maar niet terug geresorbeerd of gescerneerd, hebben een klaring gelijk aan de
glomerulusfiltratie. Een stof die wordt gefiltreerd en volledig teruggeresorbeerd,
heeft een klaring gelijk aan nul. Stoffen die gedeeltelijk worden
teruggeresorbeerd hebben een klaring kleiner dan de glomerulusfiltratie, terwijl
stoffen die na de filtratie ook nog door de tubulus wordt secreneerd en niet
1. Wat is klaring?
De snelheid waarmee stoffen worden geklaard uit een plasma, spelen een
belangrijke rol bij het meten van de excretiefunctie van de nier.
Renale klaring van een stof is het volume van plasma dat compleet geklaard
wordt per eenheid van tijd. Echter is dit nooit helemaal mogelijk, aangezien geen
enkele stof altijd geheel wordt geklaard. Renale klaring is echter wel een goede
methode om de nierfuncties (filtratie, resorptie, secretie) en de bloedstroom in de
nieren te meten.
Om de hoeveelheid voorurine te bepalen die per tijdseenheid via de
glomerulusfiltratie wordt geproduceerd, maakt men gebruikt van het feit dat
sommige polysachariden wel de wand van de glomerulus kunnen passeren, maar
niet door de tubuluscellen worden terug geresorbeerd en niet worden
uitgescheiden, zodat de hoeveelheid die in het filtraat terechtkomt ook in de
urine terug te vinden is.
Oorspronkelijk werd hiervoor inuline gebruikt. Wanneer men de
inulineconcentratie van het bloedplasma kent (dat door middel van een infuus op
een bepaalde waarde wordt gehouden) en tevens de hoeveelheid inuline die per
minuut in de urine wordt uitgescheiden, kan men bereken uit hoeveel milliliter
plasma dit afkomstig is. Men noemt dit de bepaling van de inuline klaring.
Onder klaring verstaat men het volume bloedplasma dat per minuut volledig van
een bepaalde stof wordt gezuiverd.
U xV
C= P
[A]p x plasmavolume = [A]u x urinevolume/t
[A]p x plasmavolume = absoluut aantal deeltjes
[A]u x urinevolume/t
Hierin is U de concentratie van de stof in de urine (mg/L), V de urineproductie
(ml/min.) en P de concentratie van de stof in het plasma (mg/L). C (clearance)
wordt dus uitgedrukt in ml/min.
Omdat de in het glomerulusfiltraat aanwezige inuline volledig wordt
uitgescheiden in de urine, wordt deze hoeveelheid gefiltreerd plasma volledig
gezuiverd van inuline. De inulineklaring is dus gelijk aan de glomerulusfiltratie en
bedraagt voor een gezonde volwassene ongeveer 125 ml/min.
Bij het bepalen van de klaring van een stof moet men zich realiseren dat de nier
een hoeveelheid bloedplasma nooit volledig van een bepaalde stof zuivert. In
feite wordt een groter volume plasma slechts voor een deel gezuiverd. De klaring
geeft dus geen reëel volume aan. Stoffen zoals inuline, die worden gefiltreerd,
maar niet terug geresorbeerd of gescerneerd, hebben een klaring gelijk aan de
glomerulusfiltratie. Een stof die wordt gefiltreerd en volledig teruggeresorbeerd,
heeft een klaring gelijk aan nul. Stoffen die gedeeltelijk worden
teruggeresorbeerd hebben een klaring kleiner dan de glomerulusfiltratie, terwijl
stoffen die na de filtratie ook nog door de tubulus wordt secreneerd en niet