1. Wat is de anatomie van het oog?
De bewegingen van het oog worden gestuurd door vier rechte spieren (mm. recti
superior, inferior, medialis en laterils) en twee schuinen spieren (mm. obliquii
superior en inferior). Afgezien van de m. obliquus inferior (die afkomstig is van de
mediale rand van de orbita) zijn alle uitwendige oogspieren aangehecht aan een
peesachtige ring rond het canalis opticus (anulus tendineus communis). Alle
uitwendige oogspieren zijn aangehecht aan de harde oogrok (sclera) van de
oogbol; de aanhechtingspees van de m. obliquus superior loopt echter nog door
een pezige buis (trochlea) die aan de bovenste rand van de binnenkant van de
orbita is bevestigd, en maakt vervolgens een scherpe hoek naar achteren om
zich aan de temporale kant van de bovenste vlak van de oogbol te hechten.
Om beide ogen op een object te kunnen richten is het noodzakelijk dat alle zes
uitwendige oogspieren goed functioneren en soepel samenwerken. Het is aan de
hersenen om de beide waargenomen beelden van het netvlies zo te verwerken
dat er een binoculaire gezichtsindruk tot stand komt. Indien deze processen
worden verstoord, bijv. door verlamming van een oogzenuw, dan ziet men dubbel
(diplopie) en is de gezichtsas afwijkend van de normale situatie.
Afgezien van de m. obliquus superior (n. trochlearis) en de m. rectus lateralis (n.
abducens) worden alle oogspieren (mm. recti superior, medialis en inferior en m.
obliquus inferior) door de n. oculomotorius geïnnerveerd. Nadat ze de
hersenstam hebben verlaten, lopen de drie hersenzenuwen eerst door de sinus
cavernosus (resp. naar zijn laterale wand), waar ze direct naast de a. carotis
interna liggen. Van daaruit lopen ze door de fissura orbitalis superior en komen
ten slotte in de orbita terecht in de spieren die door de zenuwen worden
geïnnerveerd.
De beide mm. recti hebben maar één hoofdfunctie en één richting waarin ze het
oog trekken, terwijl de andere spieren nog over secundaire functies en
trekrichtingen beschikken.
Bij een klinische controle van de mobiliteit van de oogbol voor het vaststellen van
oogspierverlammingen, worden de zes belangrijkste kijkrichtingen onderzocht. Bij
uitval of verzwakking van een spier wijkt het oog bij bepaalde bewegingen af.
Oogspierverlammingen kunnen ontstaan door een laesie in het kerngebied, in het
verloop van de betreffende hersenzenuw of in de oogspier zelf. Het gevolg is dat
het betreffende oog, afhankelijk van de spier die uitvalt, een kenmerkende
afwijking van de normale positie heeft en dat men dubbelziet. Dit probeert men
te vermijden door het hoofd steeds in een bepaalde stand te draaien.
Bij een complete verlamming van de n. oculomotorius vallen de volgende spieren
uit: de uitwendige oogspieren mm. Recti superior, inferior, medialis en obliquus
inferior (de oogbol is naar buiten en naar onderen gericht) en de inwendige
oogspieren m. sphincter pupillae (de pupil staat ver open) en m, ciliaris (geen
accommodatie voor dichtbij zien) en verder nog de ooglidheffer m. levator
palpebrae superioris (het ooglid is min of meer gesloten).
Bij een trochlearisparese valt de m. obliquus superior uit, waarmee het oog naar
binnen en naar beneden wordt gewenteld (de oogbol staat richting nasaal en
naar boven).
Bij een abducensparese valt de m. rectus lateralis uit (de oogbol staat naar
binnen gericht).