Humane biologie
Les 1; Cellen en celmembraan - Bouw en Functie
Celmembraan
- Bestaat uit een fosfolipiden bilaag:
--> 2 staartjes wijzen naar elkaar
- Zorgt voor stevigheid
- Integrale eiwitten zorgen voor transport eiwitten
--> Transmembraan eiwitten; glycolipiden
--> De eiwitten moeten hydrofobe delen hebben
Transmembraan eiwitten
Functies
- Transport: stoffen actief en passief de membraan laten passeren
- Enzym activiteit: zet ter plaatsen stoffen om
- Signaalactiviteit: boodschap wordt ontvangen en doorgegeven
- Cel-cel herkenning: bijvoorbeeld het immuunsysteem
- Aanhechting tussen cellen in weefsels (strak tegen elkaar)
- Aanhechting cytoskelet en ECM (verbonden met elkaar)
Cellen met celmembraan:
kern, mitochondriën, ER, Golgi, lysosoom -
Cellen zonder membraan:
ribosomen, cytoskelet, centriolen -
PAGINA 1
, Vloeibaarheid van membranen
- Fosfolipiden in plasmamembranen kunnen bewegen binnen de bilaag
- Verzadiging van koolwaterstof-staarten beïnvloedt de vloeibaarheid
- Cholesterol beperkt beweging van fosfolipiden maar voorkomt stijf worden
- Bepaalde eiwitten kunnen door cholesterol verplaatsen in het membraan
- Cholesterol zit tussen de fosfolipiden en is een steroïden
- Bij een te vloeibaar membraan verliest hij de stevigheid
Transport over de membraan
- Passief transport: geen energie voor nodig
--> Van een hoge concentratie naar een lage concentratie (diffusie)
- Actief transport: ATP voor nodig
--> Van een lage concentratie naar een hoge concentratie
- Diffusie: transport met een specifiek eiwit, ongeladen moleculen
--> Deze zijn klein en kunnen dus door het membraan heen
--> Vetachtige hormonen kunnen door het membraan (ondanks grote)
Passief transport
- Transporteiwitten = passage voor hydrofiele stoffen
- Kanaaleiwitten (channels)
--> F-ionen/moleculen kunnen dit gebruiken als tunnel (aquaporines)
- Transporteiwitten (carriers)
--> Binden aan specifieke moleculen
--> Veranderen van vorm om ze te transporteren
- --> Glucose transporter
Actief transport
Verplaatst stoffen tegen hun concentratie gradiënt in -
Heeft ATP nodig -
Natrium-Kalium pomp; zorgt voor natrium/kalium balans -
Een van de belangrijkste transporteiwitten <--
Endocytose en Exocytose
- Voor bulktransport over de celmembraan (grotere moleculen)
--> Eiwitten en polysachariden
- Endocytose = naar binnen, de cel in
- Exocytose = naar buiten, de cel uit
--> Blaasje met eiwitten van Golgi, via microtubuli, naar plasmamembraan
PAGINA 2
, Les 2; Het immuunsysteem
Immuunsysteem
Onderscheidt maken tussen eigen en niet-eigen, door moleculaire herkenning
- Aangeboren (innate) immuniteit
- Verworven (adaptive) immuniteit
Aangeboren immuunsysteem
- Huid
- Slijmvliezen
- Spijsverteringskanaal
- Luchtwegen (slijm en trilharen/cilia)
- Urinewegen
- Voortplantingskanaal
--> Dit is allemaal epithelia
Cellulaire afweer ==> fagocyterende cellen
- Macrofagen
- Neutrofiele granulocyten
- Dendritsche cellen
Herkennen pathogeen specifieke patronen (PAMP) met behulp
van specifieke receptoren
- Polysacchariden
- Glycoproteïnen
Macrofagen Dendritische cellen Neutrofiele granulocyten
- Communicatie - Link tussen aangeboren en verworven immuun- - Activeert andere cellen
- Bacteriën doden systeem - Doodt bacteriën
- Veroorzaakt ontsteking - Antigeen presenterende cel (belangrijke rol
- Activeert andere cellen verworven immuniteit)
- Activeert andere cellen
- Strategische beslissingen; antivirus of bacteriekiller
PAGINA 3
Les 1; Cellen en celmembraan - Bouw en Functie
Celmembraan
- Bestaat uit een fosfolipiden bilaag:
--> 2 staartjes wijzen naar elkaar
- Zorgt voor stevigheid
- Integrale eiwitten zorgen voor transport eiwitten
--> Transmembraan eiwitten; glycolipiden
--> De eiwitten moeten hydrofobe delen hebben
Transmembraan eiwitten
Functies
- Transport: stoffen actief en passief de membraan laten passeren
- Enzym activiteit: zet ter plaatsen stoffen om
- Signaalactiviteit: boodschap wordt ontvangen en doorgegeven
- Cel-cel herkenning: bijvoorbeeld het immuunsysteem
- Aanhechting tussen cellen in weefsels (strak tegen elkaar)
- Aanhechting cytoskelet en ECM (verbonden met elkaar)
Cellen met celmembraan:
kern, mitochondriën, ER, Golgi, lysosoom -
Cellen zonder membraan:
ribosomen, cytoskelet, centriolen -
PAGINA 1
, Vloeibaarheid van membranen
- Fosfolipiden in plasmamembranen kunnen bewegen binnen de bilaag
- Verzadiging van koolwaterstof-staarten beïnvloedt de vloeibaarheid
- Cholesterol beperkt beweging van fosfolipiden maar voorkomt stijf worden
- Bepaalde eiwitten kunnen door cholesterol verplaatsen in het membraan
- Cholesterol zit tussen de fosfolipiden en is een steroïden
- Bij een te vloeibaar membraan verliest hij de stevigheid
Transport over de membraan
- Passief transport: geen energie voor nodig
--> Van een hoge concentratie naar een lage concentratie (diffusie)
- Actief transport: ATP voor nodig
--> Van een lage concentratie naar een hoge concentratie
- Diffusie: transport met een specifiek eiwit, ongeladen moleculen
--> Deze zijn klein en kunnen dus door het membraan heen
--> Vetachtige hormonen kunnen door het membraan (ondanks grote)
Passief transport
- Transporteiwitten = passage voor hydrofiele stoffen
- Kanaaleiwitten (channels)
--> F-ionen/moleculen kunnen dit gebruiken als tunnel (aquaporines)
- Transporteiwitten (carriers)
--> Binden aan specifieke moleculen
--> Veranderen van vorm om ze te transporteren
- --> Glucose transporter
Actief transport
Verplaatst stoffen tegen hun concentratie gradiënt in -
Heeft ATP nodig -
Natrium-Kalium pomp; zorgt voor natrium/kalium balans -
Een van de belangrijkste transporteiwitten <--
Endocytose en Exocytose
- Voor bulktransport over de celmembraan (grotere moleculen)
--> Eiwitten en polysachariden
- Endocytose = naar binnen, de cel in
- Exocytose = naar buiten, de cel uit
--> Blaasje met eiwitten van Golgi, via microtubuli, naar plasmamembraan
PAGINA 2
, Les 2; Het immuunsysteem
Immuunsysteem
Onderscheidt maken tussen eigen en niet-eigen, door moleculaire herkenning
- Aangeboren (innate) immuniteit
- Verworven (adaptive) immuniteit
Aangeboren immuunsysteem
- Huid
- Slijmvliezen
- Spijsverteringskanaal
- Luchtwegen (slijm en trilharen/cilia)
- Urinewegen
- Voortplantingskanaal
--> Dit is allemaal epithelia
Cellulaire afweer ==> fagocyterende cellen
- Macrofagen
- Neutrofiele granulocyten
- Dendritsche cellen
Herkennen pathogeen specifieke patronen (PAMP) met behulp
van specifieke receptoren
- Polysacchariden
- Glycoproteïnen
Macrofagen Dendritische cellen Neutrofiele granulocyten
- Communicatie - Link tussen aangeboren en verworven immuun- - Activeert andere cellen
- Bacteriën doden systeem - Doodt bacteriën
- Veroorzaakt ontsteking - Antigeen presenterende cel (belangrijke rol
- Activeert andere cellen verworven immuniteit)
- Activeert andere cellen
- Strategische beslissingen; antivirus of bacteriekiller
PAGINA 3