Aan: Mevrouw Koppe
Van:
Datum: 27-12-2021
Betreft: Informatie rechtszaak 1500 in Eerste aanleg
memo
Vorige week hebben wij een gesprek gehad op kantoor over de zaak
die op Hoger beroep is. Hierna heeft u mij gevraagd om de zaak te
onderzoeken en u daarover te informeren.
De feiten
Deze zaak begon met een bezwaar tegen het besluit van de
gemeente Breda. De gemeente had op 3 mei 2018 een verzoek
voor persoonsgebonden budget geweigerd. Hierna is er bezwaar
ingediend door de belanghebbende bij rechtbank Zeeland-West-
Brabant op 7 januari 2019. De rechtbank heeft ambtshalve
verklaard dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en dat niet is
gebleken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Namens
appellant is er hoge beroep ingesteld tegen het besluit van de
bestuursrechter. De appellant verzoekt tot vergoeding van schade
in hoger beroep. De CRvB heeft beoordeeld of de bestuursrechter
mag beoordelen over de tijdigheid van het bezwaar ambtshalve. 1
De rechtsvraag
De rechtsvraag dat geldt op deze zaak is of de bestuursrechter een
beoordeling mag geven op de tijdigheid van een bezwaar
ambtshalve. De CRvB verklaard dat het beoordeelde bezwaar door
de bestuursrechter op tijdigheid in strijd is met het recht op grond
van artikel 8:69 lid 1 Awb. Het is eerst getoetst door de gemengde
kamer. Volgens de gemengde kamer is de wettelijke bepaling van
de tijdigheid van een bezwaar- of beroepschrift dwingend van aard,
maar dat brengt niet mee dat het ook de openbare orde is. De CRvB
is ervan overtuigd dat de bestuursrechter niet mag oordelen over de
tijdigheid van een bezwaar ambtshalve. Dit geldt tevens ook in
hoger beroep.2
De wet
De CRvB heeft gebruik gemaakt van artikel 8:69 lid 1 Awb voor het
1
CRvB 9 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1500
2
CRvB 9 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1500, r.o. 4.2