S
a
m
Leerdoelen week 1:
Gebruikte literatuur: hoorcolleges/kennisclips, artikel menswetenschappen
e
aangeven waar de psychologische wetenschap zich op richt;
beschrijven waarom kennis van de psychologie belangrijk is voor verpleegkundigen;
de geschiedenis van de psychologie in hoofdlijnen weergeven;
n
beschrijven wat de nature-nurture kwestie inhoudt en wat de huidige opvattingen
hieromtrent zijn;
aangeven wat er onder een ‘stroming’ in de psychologie wordt verstaan.
v
Leerdoelen week 2: Psychodynamische benadering
Gebruikte literatuur: hoorcollege/kennisclips, hoofdstuk 3 paragraaf 3.1, 3.2, 3.4, 3.10 en
3.11
a
de verschillende uitgangspunten van de psychodynamische benaderingen beschrijven;
de theorie van Freud en het driftmodel van de psychodynamische benadering
t
beschrijven;
de ontwikkelingsfasen van het Id, Ego en Superego uitleggen;
uitleggen wat er onder afweermechanismen verstaan wordt, weet de verschillende
t
mechanismen en kan deze koppelen aan patiëntengedrag;
de begrippen overdracht en tegenoverdracht uitleggen en koppelen aan verpleegkundige
zorgverlening;
i
beschrijven wat er onder de zelfpsychologie van Kohut en Stern verstaan wordt;
beschrijven hoe de psychodynamische benaderingen terug te zien zijn in de context van
zorg & welzijn en jeugdzorg (o.a. ‘holding’);
n
verschillende therapeutische technieken en houdingsaspecten noemen behorende bij
het driftmodel
beschrijven welke kanttekeningen er zijn geplaatst bij de psychodynamische theorieën
g
en methodes.
Leerdoelen week 3: Behavioristische benadering
Gebruikte literatuur: hoorcollege/kennisclips, hoofdstuk 4 paragraaf 4.1 t/m 4.3 en 4.5
g
de uitgangspunten en de ontstaansreden van de behavioristische benadering uitleggen;
de drie vormen van leren (klassieke, operante conditionering en model-leren) uitleggen
en met voorbeelden toelichten;
e
de basisbegrippen die behoren bij de klassieke en operante conditionering met
voorbeelden toelichten;
de drie vormen van leren gebruiken in de analyse van patiëntengedrag en gedrag van
d
verpleegkundigen;
de gedragstherapeutische principes toepassen op de ‘motivatie’ van een cliënt.
r
a
, g
Leerdoelen week 4: Cognitieve psychologie
Gebruikte literatuur: hoorcollege/kennisclips, hoofdstuk 4 paragraaf 4.1, 4.6, 4.8 en 4.10
de uitgangspunten van de cognitieve psychologie verwoorden;
de basisbegrippen van de cognitieve psychologie uitleggen: attributie, locus of control,
aangeleerde hulpeloosheid en automatische verklaringen;
de uitgangspunten/benadering van de Rationeel-Emotieve Therapie van Ellis verwoorden
en koppelen aan patiëntproblemen;
de cognitieve therapie/benadering van Beck omschrijven en basaal kunnen toepassen op
(patiënten met) angststoornissen en depressies;
de verbinding leggen tussen de gedragstherapeutische en de cognitieve benadering;
de verschillende therapeutische interventies beschrijven;
verwoorden wat de nieuwere (therapeutische) ontwikkelingen zijn binnen de cognitief-
gedragstherapeutische benaderingen;
verwoorden welke kanttekeningen geplaatst worden bij de cognitief-
gedragstherapeutische benaderingen.
Leerdoelen week 5: Experiëntiële en cliëntgerichte benadering
Gebruikte literatuur: hoorcollege/kennisclips, hoofdstuk 5, paragraaf 5.1 t/m 5.9, 5.12 en
5.13
de kernbegrippen van de cliëntgerichte benadering uitleggen: zelfontplooiing,
onvoorwaardelijke acceptatie, incongruentie en positieve mogelijkheden;
de uitgangspunten van de cliëntgerichte benadering benoemen en toelichten;
verklaren waarom (bij een verpleegkundige) onvoorwaardelijke acceptatie, echtheid,
empathie en begrijpen noodzakelijk zijn in de relatie met cliënten;
de behoeftepiramide van Maslow toelichten en gebruiken bij het begrijpen van
patiëntproblemen;
beschrijven hoe de cliëntgerichte en experiëntiële benaderingen terug te zien zijn in de
context van zorg & welzijn;
beschrijven welke kanttekeningen geplaatst worden bij cliëntgerichte benaderingen.
Leerdoelen week 6 en 7: Systeemgerichte benadering
Gebruikte literatuur: hoorcollege/kennisclips, hoofdstuk 7, paragraaf 7.1 t/m 7.8, 7.10 en
7.16
de verschillende inspiratiebronnen van de systeembenaderingen benoemen;
de uitgangspunten en kernbegrippen van de algemene systeemleer beschrijven;
de uitgangspunten van de systeembenaderingen benoemen
de uitgangspunten en begrippen toelichten van de communicatietheoretische
benadering, de structurele benadering en de intergenerationele benadering;
Beschrijven welke doelen er nagestreefd worden in een contextuele therapie en
welke therapeutische interventies daarbij kunnen worden ingezet;
twee verwante ontwikkelingen benoemen;
beschrijven welke kanttekeningen er geplaatst worden bij de systeemgerichte
benaderingen.
, Week 1 – algemene kennis
Leerdoel 1: aangeven waar de psychologische wetenschap zich op richt;
Twee wetenschappelijke gedragswetenschappen waar wij ons op gaan focussen zijn
sociologie en psychologie. Sociologie richt zich op het gedrag van groepen mensen,
onderzoekt maatschappelijke vraagstukken en de nadruk ligt hierbij op de omgeving. Ze
kijken naar de wijk bijvoorbeeld. Of ze kijken hoe relaties tussen ontwikkelingen zijn. Heeft
de ‘ontkerking’ uit het verleden invloed gehad op scheiding bijvoorbeeld.
Psychologische wetenschap richt zich op het gedrag van de individuele mens. Deze
staat centraal. Soms kijken ze ook naar iemands omgeving. Denk hierbij aan het gezin of aan
de vriendengroep. Maar het individu blijft hierin wel centraal staan. We willen weten hoe
iemand denkt. Daarnaast vinden we het interessant hoe iemands emoties zijn. Welke
emoties roepen bepaalde gedachtes op en wat voor gedrag toont iemand daardoor? Dit is
belangrijk in de psychologische wetenschap.
Leerdoel 2: beschrijven waarom kennis van de psychologie belangrijk is voor
verpleegkundigen;
Kennis van de psychologie is belangrijk voor verpleegkundigen om goed met de patiënt om
te kunnen gaan. Je komt veel verschillend gedrag tegen en het is belangrijk om dit gedrag
goed te begrijpen. Pas als je weet waarom iemand doet zoals hij doet, zul je goed op dit
gedrag kunnen inspelen. Ook geeft het je inzicht in je eigen gedrag.
Leerdoel 3: de geschiedenis van de psychologie in hoofdlijnen weergeven;
De psychologie als wetenschap bestaat nu ruim honderd jaar. Dat is nog maar heel kort als je
het vergelijkt met andere wetenschappen. Het beginpunt was de opening van het eerste
psychologische laboratorium in Leipzig, in 1879. Welhelm Wundt deed hier experimenten op
het gebied van de psychologie.
Er is nog veel discussie over wat wel en niet bij de wetenschap hoort en hoe je het
onderwerp het best kunt bestuderen. Dit is telkens in ontwikkeling. In het begin van de
twintigste eeuw werd nog geloofd in de frenologie, dit is de leer van de vorm van de schedel.
Aan het bestaan of juist ontbreken van knobbels op de schedel meende men bepaalde
gedragingen te kunnen aflezen.
Door de discussie en ontwikkelingen zijn in de loop der tijd verschillende stromingen
ontstaan, die we de volgende weken behandelen.
, Leerdoel 4: beschrijven wat de nature-nurture kwestie inhoudt en wat de
huidige opvattingen hieromtrent zijn;
Mensen die van het nature standpunt uitgaan, denken dat gedrag, emoties en denken
bepaald worden door biologische aanleg. Ben je bijvoorbeeld heel verlegen en introvert, of
juist extrovert? Dan denken de mensen die van nature uit gaan, dat je zo geboren bent. Een
mens is nu eenmaal hoe het is. Dat is er van nature ingebakken en dat valt niet zomaar te
veranderen.
Mensen die van het nurture standpunt uitgaan, denken dat gedrag, emoties en
denken bepaald worden door omgevingsinvloeden en ervaringen. Groei je op in een
chaotisch gezin, of een veilig gezin? In een achterstandswijk of in een villawijk? En wat voor
vriendengroep heb je? Allemaal punten die meespelen. Omgevingsinvloeden bepalen dus je
gedrag. Iets wat je hebt geleerd kun je ook weer afleren. Een mens kan altijd nog veranderen
in de loop van zijn leven.
De hedendaagse gangbare redenatie is dat het een mix van beide is. Je kunt wel
aanleg hebben voor bijvoorbeeld somberheid, maar triggers in je leven bepalen of dit tot
uiting komt. Als je geen obstakels in je leven tegen komt en alles loopt voorspoedig, is de
kans dat de somberheid heel erg naar boven komt niet zo groot als wanneer je veel heftige
dingen mee maakt. Kortom; volgens de huidige opvatting is er sprake van een mix van
nature en nurture.
Leerdoel 5: aangeven wat er onder een ‘stroming’ in de psychologie wordt
verstaan.
Een stroming heeft zijn eigen methoden, theorieën en opvattingen. De psychoanalyse focust
zich bijvoorbeeld op de vroege jeugd. Als jij bepaalde problemen hebt ontwikkeld, komt dat
volgens deze stroming door ervaringen uit jouw vroege jeugd.
De cognitieve psychologie focust zich juist op de gedachtes. Waarom denkt iemand
zo? En weer een andere benadering, de systeembenadering, kijkt naar het gehele gezin en
misschien op latere leeftijd ook soms naar de vriendengroep. De verschillende stromingen
volgen in de komende weken.
a
m
Leerdoelen week 1:
Gebruikte literatuur: hoorcolleges/kennisclips, artikel menswetenschappen
e
aangeven waar de psychologische wetenschap zich op richt;
beschrijven waarom kennis van de psychologie belangrijk is voor verpleegkundigen;
de geschiedenis van de psychologie in hoofdlijnen weergeven;
n
beschrijven wat de nature-nurture kwestie inhoudt en wat de huidige opvattingen
hieromtrent zijn;
aangeven wat er onder een ‘stroming’ in de psychologie wordt verstaan.
v
Leerdoelen week 2: Psychodynamische benadering
Gebruikte literatuur: hoorcollege/kennisclips, hoofdstuk 3 paragraaf 3.1, 3.2, 3.4, 3.10 en
3.11
a
de verschillende uitgangspunten van de psychodynamische benaderingen beschrijven;
de theorie van Freud en het driftmodel van de psychodynamische benadering
t
beschrijven;
de ontwikkelingsfasen van het Id, Ego en Superego uitleggen;
uitleggen wat er onder afweermechanismen verstaan wordt, weet de verschillende
t
mechanismen en kan deze koppelen aan patiëntengedrag;
de begrippen overdracht en tegenoverdracht uitleggen en koppelen aan verpleegkundige
zorgverlening;
i
beschrijven wat er onder de zelfpsychologie van Kohut en Stern verstaan wordt;
beschrijven hoe de psychodynamische benaderingen terug te zien zijn in de context van
zorg & welzijn en jeugdzorg (o.a. ‘holding’);
n
verschillende therapeutische technieken en houdingsaspecten noemen behorende bij
het driftmodel
beschrijven welke kanttekeningen er zijn geplaatst bij de psychodynamische theorieën
g
en methodes.
Leerdoelen week 3: Behavioristische benadering
Gebruikte literatuur: hoorcollege/kennisclips, hoofdstuk 4 paragraaf 4.1 t/m 4.3 en 4.5
g
de uitgangspunten en de ontstaansreden van de behavioristische benadering uitleggen;
de drie vormen van leren (klassieke, operante conditionering en model-leren) uitleggen
en met voorbeelden toelichten;
e
de basisbegrippen die behoren bij de klassieke en operante conditionering met
voorbeelden toelichten;
de drie vormen van leren gebruiken in de analyse van patiëntengedrag en gedrag van
d
verpleegkundigen;
de gedragstherapeutische principes toepassen op de ‘motivatie’ van een cliënt.
r
a
, g
Leerdoelen week 4: Cognitieve psychologie
Gebruikte literatuur: hoorcollege/kennisclips, hoofdstuk 4 paragraaf 4.1, 4.6, 4.8 en 4.10
de uitgangspunten van de cognitieve psychologie verwoorden;
de basisbegrippen van de cognitieve psychologie uitleggen: attributie, locus of control,
aangeleerde hulpeloosheid en automatische verklaringen;
de uitgangspunten/benadering van de Rationeel-Emotieve Therapie van Ellis verwoorden
en koppelen aan patiëntproblemen;
de cognitieve therapie/benadering van Beck omschrijven en basaal kunnen toepassen op
(patiënten met) angststoornissen en depressies;
de verbinding leggen tussen de gedragstherapeutische en de cognitieve benadering;
de verschillende therapeutische interventies beschrijven;
verwoorden wat de nieuwere (therapeutische) ontwikkelingen zijn binnen de cognitief-
gedragstherapeutische benaderingen;
verwoorden welke kanttekeningen geplaatst worden bij de cognitief-
gedragstherapeutische benaderingen.
Leerdoelen week 5: Experiëntiële en cliëntgerichte benadering
Gebruikte literatuur: hoorcollege/kennisclips, hoofdstuk 5, paragraaf 5.1 t/m 5.9, 5.12 en
5.13
de kernbegrippen van de cliëntgerichte benadering uitleggen: zelfontplooiing,
onvoorwaardelijke acceptatie, incongruentie en positieve mogelijkheden;
de uitgangspunten van de cliëntgerichte benadering benoemen en toelichten;
verklaren waarom (bij een verpleegkundige) onvoorwaardelijke acceptatie, echtheid,
empathie en begrijpen noodzakelijk zijn in de relatie met cliënten;
de behoeftepiramide van Maslow toelichten en gebruiken bij het begrijpen van
patiëntproblemen;
beschrijven hoe de cliëntgerichte en experiëntiële benaderingen terug te zien zijn in de
context van zorg & welzijn;
beschrijven welke kanttekeningen geplaatst worden bij cliëntgerichte benaderingen.
Leerdoelen week 6 en 7: Systeemgerichte benadering
Gebruikte literatuur: hoorcollege/kennisclips, hoofdstuk 7, paragraaf 7.1 t/m 7.8, 7.10 en
7.16
de verschillende inspiratiebronnen van de systeembenaderingen benoemen;
de uitgangspunten en kernbegrippen van de algemene systeemleer beschrijven;
de uitgangspunten van de systeembenaderingen benoemen
de uitgangspunten en begrippen toelichten van de communicatietheoretische
benadering, de structurele benadering en de intergenerationele benadering;
Beschrijven welke doelen er nagestreefd worden in een contextuele therapie en
welke therapeutische interventies daarbij kunnen worden ingezet;
twee verwante ontwikkelingen benoemen;
beschrijven welke kanttekeningen er geplaatst worden bij de systeemgerichte
benaderingen.
, Week 1 – algemene kennis
Leerdoel 1: aangeven waar de psychologische wetenschap zich op richt;
Twee wetenschappelijke gedragswetenschappen waar wij ons op gaan focussen zijn
sociologie en psychologie. Sociologie richt zich op het gedrag van groepen mensen,
onderzoekt maatschappelijke vraagstukken en de nadruk ligt hierbij op de omgeving. Ze
kijken naar de wijk bijvoorbeeld. Of ze kijken hoe relaties tussen ontwikkelingen zijn. Heeft
de ‘ontkerking’ uit het verleden invloed gehad op scheiding bijvoorbeeld.
Psychologische wetenschap richt zich op het gedrag van de individuele mens. Deze
staat centraal. Soms kijken ze ook naar iemands omgeving. Denk hierbij aan het gezin of aan
de vriendengroep. Maar het individu blijft hierin wel centraal staan. We willen weten hoe
iemand denkt. Daarnaast vinden we het interessant hoe iemands emoties zijn. Welke
emoties roepen bepaalde gedachtes op en wat voor gedrag toont iemand daardoor? Dit is
belangrijk in de psychologische wetenschap.
Leerdoel 2: beschrijven waarom kennis van de psychologie belangrijk is voor
verpleegkundigen;
Kennis van de psychologie is belangrijk voor verpleegkundigen om goed met de patiënt om
te kunnen gaan. Je komt veel verschillend gedrag tegen en het is belangrijk om dit gedrag
goed te begrijpen. Pas als je weet waarom iemand doet zoals hij doet, zul je goed op dit
gedrag kunnen inspelen. Ook geeft het je inzicht in je eigen gedrag.
Leerdoel 3: de geschiedenis van de psychologie in hoofdlijnen weergeven;
De psychologie als wetenschap bestaat nu ruim honderd jaar. Dat is nog maar heel kort als je
het vergelijkt met andere wetenschappen. Het beginpunt was de opening van het eerste
psychologische laboratorium in Leipzig, in 1879. Welhelm Wundt deed hier experimenten op
het gebied van de psychologie.
Er is nog veel discussie over wat wel en niet bij de wetenschap hoort en hoe je het
onderwerp het best kunt bestuderen. Dit is telkens in ontwikkeling. In het begin van de
twintigste eeuw werd nog geloofd in de frenologie, dit is de leer van de vorm van de schedel.
Aan het bestaan of juist ontbreken van knobbels op de schedel meende men bepaalde
gedragingen te kunnen aflezen.
Door de discussie en ontwikkelingen zijn in de loop der tijd verschillende stromingen
ontstaan, die we de volgende weken behandelen.
, Leerdoel 4: beschrijven wat de nature-nurture kwestie inhoudt en wat de
huidige opvattingen hieromtrent zijn;
Mensen die van het nature standpunt uitgaan, denken dat gedrag, emoties en denken
bepaald worden door biologische aanleg. Ben je bijvoorbeeld heel verlegen en introvert, of
juist extrovert? Dan denken de mensen die van nature uit gaan, dat je zo geboren bent. Een
mens is nu eenmaal hoe het is. Dat is er van nature ingebakken en dat valt niet zomaar te
veranderen.
Mensen die van het nurture standpunt uitgaan, denken dat gedrag, emoties en
denken bepaald worden door omgevingsinvloeden en ervaringen. Groei je op in een
chaotisch gezin, of een veilig gezin? In een achterstandswijk of in een villawijk? En wat voor
vriendengroep heb je? Allemaal punten die meespelen. Omgevingsinvloeden bepalen dus je
gedrag. Iets wat je hebt geleerd kun je ook weer afleren. Een mens kan altijd nog veranderen
in de loop van zijn leven.
De hedendaagse gangbare redenatie is dat het een mix van beide is. Je kunt wel
aanleg hebben voor bijvoorbeeld somberheid, maar triggers in je leven bepalen of dit tot
uiting komt. Als je geen obstakels in je leven tegen komt en alles loopt voorspoedig, is de
kans dat de somberheid heel erg naar boven komt niet zo groot als wanneer je veel heftige
dingen mee maakt. Kortom; volgens de huidige opvatting is er sprake van een mix van
nature en nurture.
Leerdoel 5: aangeven wat er onder een ‘stroming’ in de psychologie wordt
verstaan.
Een stroming heeft zijn eigen methoden, theorieën en opvattingen. De psychoanalyse focust
zich bijvoorbeeld op de vroege jeugd. Als jij bepaalde problemen hebt ontwikkeld, komt dat
volgens deze stroming door ervaringen uit jouw vroege jeugd.
De cognitieve psychologie focust zich juist op de gedachtes. Waarom denkt iemand
zo? En weer een andere benadering, de systeembenadering, kijkt naar het gehele gezin en
misschien op latere leeftijd ook soms naar de vriendengroep. De verschillende stromingen
volgen in de komende weken.