voor deze week is voorgeschreven, de kennisclips (jurisprudentie), de
werkgroepopdrachten, extra belangrijke punten uit de online opdrachten
Hoorcollege
Geschiedenis en achtergrond
Fundamentele rechten, mensenrechten en grondrechten betekenen hetzelfde.
Dit zijn fundamentele normen die de handelingsvrijheid van - in de eerste plaats - de
overheid beperken en die strekken tot een menswaardig bestaan.
Grondrechten zijn van belang, omdat het een van de vier elementen is van de rechtsstaat
(legaliteitsbeginsel, machtenscheiding, rechtsbescherming van onafhankelijke rechter en
grondrechten).
Voorbeeld vrijheid van beweging → avondklok.
Voorbeeld vrijheid van betoging → Niet meer mogen demonstreren tijdens
Corona.
Voorbeeld recht op respect voor privéleven → Je mocht niet meer veel mensen
thuis uitnodigen.
Je mag alleen maar maatregelen nemen bij grondrechten als de wet je specifiek bevoegd
heeft verklaard. Dit moet je dus uit een wetsartikel kunnen halen.
Ook de wetgever is aan grondrechten gebonden.
Er moeten vaak belangen afgewogen bij grondrechten.
Klassieke grondrechten (zoals het recht op leven) stellen een onthoudingsplicht van de
overheid voorop. Deze grondrechten zijn afdwingbaar bij de rechter.
Sociale grondrechten bevatten in eerste plaats een zorgplicht voor de overheid, maar ze
kunnen ook de handelingsvrijheid van de overheid inperken. Bij dit soort grondrechten zijn
beleidsafwegingen van belang door de hoge kosten. Er is minder sprake van het
afdwingbare karakter van deze grondrechten.
Universaliteit van grondrechten:
--Het is voor sommige landen moeilijk om sociale grondrechten te realiseren, gelet op de
hoge kosten. Het welvaartsniveau in deze landen is lager.
--Verder is het moeilijk om op gebied van godsdienst een universele norm te hebben. Soms
is er weinig ruimte voor individuele rechten als er strenge voorschriften vanuit die
godsdienst voortvloeien. Dit maakt het moeilijk om een universele norm op bepaalde
vlakken te hebben.
--Er zijn ook veel landen met een verschillende politieke cultuur. Het bestaan van veel grondrechten is
mede afhankelijk van de ruimte die voor individuen met afwijkende opvattingen en gedragingen bestaat.
Die is niet in iedere cultuur hetzelfde.
Geschiedenis:
--Athene en Griekse staatsleer: Grote vrijheid om aan politieke besluitvorming deel te nemen
wel alleen voor klein groepje mannen, eigendom werd in acht genomen, vrijheid van de
gemeenschap was van belang niet vrijheid van het individu.
Plato → Staat heeft een opvoedende rol en controle van de overheid over het
individuele en maatschappelijke leven is allesomvattend.
Aristoteles → Zag mensen als zoon politikon: Een politiek wezen dat een
gemeenschap nodig heeft. Een vrije privésfeer, en dus geen politieke
, gemeenschap, zou slechts tot verslechtering van de natuurlijke eigenschappen
van de mens leiden.
Epicurus (en de stoïcijnen) → Het individu vindt de meest aangename situatie
buiten het politieke leven, in de privésfeer. Staat waarborgd vooral veiligheid.
Morele gelijkheid van ieder individu. Vormt basis van natuurrecht maar was niet
uitgewerkt in concept van rechten.
--Christendom en Middeleeuwen: Enerzijds gelijkwaardigheid, wilsvrijheid en beperking van
overheidsmacht (vanwege kerk). Anderzijds moesten onderdanen gehoorzaam zijn. Gezag
van overheid werd namelijk gezien als door god gegeven. Verkondigen van afwijkende
geloofsopvatting werd als snel als een vorm van opruiing gezien en stevige kritiek op de
overheid werd als ketterij gezien. Er was dus geen plaats voor grondrechten in deze tijd.
Thomas van Aquino → De overheidsmacht was van god gegeven, maar dit diende
wel gericht te zijn op algemeen welzijn.
Redenen opkomst van grondrechten van 13de tot 19de eeuw:
-De Renaissance waardoor steeds meer afstand gedaan werd van op religie gebaseerde
zekerheden.
-De Hervorming → De individualisering van het geloofsleven (door protestantisme)
en de daarmee samenhangende terugtred van de overheid uit geloofszaken,
waardoor de breuk binnen het Christendom een nieuwe legitimering van het
overheidsgezag eiste.
-De Verlichting → Vanwege succes in de wetenschap kwam de nadruk meer te
liggen op het verstandelijke en intellectuele vermogen van de mens als individu.
-Ontwikkeling van de natiestaat → Doordat de centrale overheid steeds machtiger
werd ontstond er ook een verlangen naar tegenwicht voor deze macht.
-De opkomst van de burgerij als derde stand (naast adel en geestelijkheid). Zij benadrukte
waarde als gelijkheid en bescherming van privébezit en wilde niet in hun handelen beperkt
worden.
Hobbes → De situatie zonder overheid zou een natuurtoestand zijn. Hiermee
wordt een oorlog van allen tegen allen bedoeld waarin mensen worden geleid
door eigenbelang en strijden om macht en vrijheid. De mens kan deze situatie
alleen overkomen door al hun vrijheden op te geven als alle anderen dat ook
doen. Met dit ‘contract’ ontstaat de overheid, die als taak heeft de orde en
veiligheid te handhaven.
De individu heeft zijn vrijheid opgegeven en is ondergeschikt aan de maatschappelijke orde
en veiligheid. Er is dus geen plaats voor grondrechten. Behalve het recht op zelfbehoud.
Als veiligheid gegarandeerd kan worden is er eventueel ook plaats voor enige vrijheid.
Locke → Beschrijft ook de natuurtoestand, maar de individu beschikt over enige
natuurlijke rechten (leven, vrijheid en eigendom). In de natuurtoestand zijn het ontbreken
van duidelijke regels, effectieve geschilbeslechting, handhaving en uitvoering de grootste
problemen. Hierdoor komt er ook hier een sociaal contract waar een politieke gemeenschap
uit volgt. Overheid voorziet in functies die in natuurtoestand ontbraken en ter waarborging
van de natuurlijke rechten van het individu. Ook de overheid is aan deze rechten gebonden.
Jeremy Bentham → Overheidsbeleid moet gericht zijn op het grootste geluk voor
het grootste aantal. Dit brengt met zich mee dat grondrechten van de