AARDRIJKSKUNDE DOMEIN D - ZUID-AMERIKA
Inhoud volgt uit Syllabus AK 2021-22
INHOUDSOPGAVE
Onderdeel 1: Beeldvorming over Zuid-Amerika 1
Onderdeel 2: Gebieden en kenmerken Zuid-Amerika 2
Onderdeel 3: Ontwikkelingsprocessen en internationaal Zuid-Amerika 16
, Onderdeel 1: Beeldvorming over Zuid-Amerika
7A.1) Beeldvorming over de regio Zuid-Amerika
Wat je moet kunnen:
➢ Eigen en andermans beelden van de regio Zuid-Amerika beschrijven en aangeven hoe die beelden
tot stand komen.
➢ De invloed van beeldvorming op ruimtelijk handelen illustreren aan de hand van voorbeelden ten
aanzien van Zuid-Amerika.
1
Aandachts- ➢ Cultuurelementen als muziek, dans, sport, kleding en religie spelen een
punten: belangrijke rol in het stereotype beeld van Zuid-Amerika en dit beeld wordt
door media en reizen vaak bevestigd.
➢ Vanuit de natuurlijke dimensie staat het beeld van een grote biodiversiteit in
Zuid-Amerika onder druk.
➢ Het imago van Zuid-Amerika kent paradoxen: gated communities naast
krottenwijken, dictaturen naast democratieën, ongelijkheid naast herverdeling.
➢ Het beeld van Zuid-Amerika is in de loop van de tijd veranderd van instabiele
corrupte landen met een grote sociale ongelijkheid tot politiek en economisch
meer stabiele landen.
➢ Over de toekomst van Zuid-Amerika lopen de meningen sterk uiteen; van een
tweedeling rol in het mondiale krachtenveld tot een veelbelovende regio.
➢ Zowel stereotype beelden als geografische beelden van Zuid-Amerika zijn van
invloed op het ruimtelijk gedrag van actoren zoals bedrijven en consumenten,
politici en burgers. Dat blijkt onder andere uit investeringsbeslissingen en de
keuze voor toeristische bestemmingen.
Begrippen: Regionale beeldvorming (van Zuid-Amerika) bevat objectieve en subjectieve
elementen.
Het onderscheidt twee soorten beelden:
➢ Geografisch beeld = objectief beeld op basis van gebiedskenmerken.
Gebiedskenmerken o.a.:
○ ligging;
○ gebiedskenmerken;
○ bevolkingskenmerken;
○ interne relaties;
○ externe relaties.
➢ Individueel beeld = persoonlijk, subjectief beeld op grond van eigen ervaring,
kennis of beïnvloed door andere personen.
○ Mental map = kaart in je hoofd of op papier over gebied die een
uitdrukking is van subjectieve beelden over een gebied, zal per
persoon verschillen.
Beeldvorming wordt o.a. gevormd en beïnvloed door:
Perceptie = invulling beeld op grond van persoonlijke ervaringen en verwachtingen,
mogelijk beïnvloedt door bv. afkomst, godsdienst, opleiding en cultuur (identiteit).
Stereotypering = vorming vaststaand beeld over werkelijkheid; karakterisering waarin
bepaalde elementen worden benadrukt; beeld van groep mensen.
1
, Onderdeel 2: Gebieden en kenmerken Zuid-Amerika
7A.2) Gebiedstypering op basis van relevante kenmerken
1
Aandac ➢ Zuid-Amerika heeft meerdere tektonische platen. Het vaste land omvat het zuidelijk deel
hts- van de Zuid-Amerikaanse plaat. De oceanische korst duikt onder de continentale korst
punten: van Zuid-Amerika.
➢ Het oosten van Zuid-Amerika is een passieve continentrand, hier deden zich juiste
omstandigheden zoals vorming van aardolievoorraden voor.
➢ Het westen van Zuid-Amerika is een actieve continentrand, deze wordt gekenmerkt door
subductie die gepaard gaat met aardbevingen en actief vulkanisme. Bij subductie vind
opvallende gebergtevorming plaats; in het noorden (Colombia) zijn er meerdere
bergketens naast elkaar gevormd.
➢ Er is actief vulkanisme als gevolg van een hotspot bij de Galapagos-eilanden.
➢ De vorming van het Andesgebergte ging gepaard met het ontstaan van een
voorlandbekken aan de oostzijde van het gebergte. In dit bekken heeft veel sedimentatie
plaatsgevonden.
➢ De ligging van klimaatzones, vegetatiezones en landschapszones wordt in Zuid-Amerika
voor een groot deel bepaald door de breedteligging en de invloed van zee- en
windstromen.
Begrip Fysischgeografische kenmerken Zuid-Amerika
pen: Schilden = oud gesteente, opgeheven en afgevlakt. Door
gebergtevorming en erosie zijn deze schilden aan de
oppervlakte gekomen.
Hoogtezones = vormen een indeling van gebied naar hoogte. Er
zijn drie zones te onderscheiden:
➢ Laagland → 0-200m
➢ Middelland → 200-2000m
➢ Hoogland → + 2000m
Voor Zuid-Amerika geldt:
→ Andesgebergte = hoogland (4000-6000m)
→ Ten oosten Andes = laagland (0-200m)
→ Noorden & oosten ZA = hoogland (+2000m)
→ Ten westen van ZA ligt evenwijdig aan de kust in de
oceaan een diepe trog.
Hoogvlakte/hoogland = vlakte of zachtgolvend gebied op meer dan 500m hoogte
Ertsen = gesteenten met economisch winbaar gehalte aan metalen of mineralen; meestal
delfstoffen (uit de aarde gewonnen).
➢ Ertsen vormen zich op twee manieren.
○ Magma stolt langzaam, daardoor blijven er bepaalde elementen in hoge
concentraties over.
○ Sedimentlagen, ontstaat door verwering en erosie van ertshoudend gesteente of
door chemische processen.
➢ Bauxiet is een belangrijk erts, het bevat namelijk veel aluminium en het wordt gevonden
in lateriet.
Het Andes is rijk aan delfstoffen/ertsen, door opstijgend magma in de subductiezone. In
plooiingsgebergten vaak ertsen aan de oppervlakte door erosie van bovenliggend gesteente.
Fossiele energiebronnen = brandstoffen (aardolie, aardgas, bruinkool en steenkool) die in
miljoenen jaren is gevormd uit planten- en/of dierenresten.
➢ aardolie wordt gevormd door omzetting plankton
2
Inhoud volgt uit Syllabus AK 2021-22
INHOUDSOPGAVE
Onderdeel 1: Beeldvorming over Zuid-Amerika 1
Onderdeel 2: Gebieden en kenmerken Zuid-Amerika 2
Onderdeel 3: Ontwikkelingsprocessen en internationaal Zuid-Amerika 16
, Onderdeel 1: Beeldvorming over Zuid-Amerika
7A.1) Beeldvorming over de regio Zuid-Amerika
Wat je moet kunnen:
➢ Eigen en andermans beelden van de regio Zuid-Amerika beschrijven en aangeven hoe die beelden
tot stand komen.
➢ De invloed van beeldvorming op ruimtelijk handelen illustreren aan de hand van voorbeelden ten
aanzien van Zuid-Amerika.
1
Aandachts- ➢ Cultuurelementen als muziek, dans, sport, kleding en religie spelen een
punten: belangrijke rol in het stereotype beeld van Zuid-Amerika en dit beeld wordt
door media en reizen vaak bevestigd.
➢ Vanuit de natuurlijke dimensie staat het beeld van een grote biodiversiteit in
Zuid-Amerika onder druk.
➢ Het imago van Zuid-Amerika kent paradoxen: gated communities naast
krottenwijken, dictaturen naast democratieën, ongelijkheid naast herverdeling.
➢ Het beeld van Zuid-Amerika is in de loop van de tijd veranderd van instabiele
corrupte landen met een grote sociale ongelijkheid tot politiek en economisch
meer stabiele landen.
➢ Over de toekomst van Zuid-Amerika lopen de meningen sterk uiteen; van een
tweedeling rol in het mondiale krachtenveld tot een veelbelovende regio.
➢ Zowel stereotype beelden als geografische beelden van Zuid-Amerika zijn van
invloed op het ruimtelijk gedrag van actoren zoals bedrijven en consumenten,
politici en burgers. Dat blijkt onder andere uit investeringsbeslissingen en de
keuze voor toeristische bestemmingen.
Begrippen: Regionale beeldvorming (van Zuid-Amerika) bevat objectieve en subjectieve
elementen.
Het onderscheidt twee soorten beelden:
➢ Geografisch beeld = objectief beeld op basis van gebiedskenmerken.
Gebiedskenmerken o.a.:
○ ligging;
○ gebiedskenmerken;
○ bevolkingskenmerken;
○ interne relaties;
○ externe relaties.
➢ Individueel beeld = persoonlijk, subjectief beeld op grond van eigen ervaring,
kennis of beïnvloed door andere personen.
○ Mental map = kaart in je hoofd of op papier over gebied die een
uitdrukking is van subjectieve beelden over een gebied, zal per
persoon verschillen.
Beeldvorming wordt o.a. gevormd en beïnvloed door:
Perceptie = invulling beeld op grond van persoonlijke ervaringen en verwachtingen,
mogelijk beïnvloedt door bv. afkomst, godsdienst, opleiding en cultuur (identiteit).
Stereotypering = vorming vaststaand beeld over werkelijkheid; karakterisering waarin
bepaalde elementen worden benadrukt; beeld van groep mensen.
1
, Onderdeel 2: Gebieden en kenmerken Zuid-Amerika
7A.2) Gebiedstypering op basis van relevante kenmerken
1
Aandac ➢ Zuid-Amerika heeft meerdere tektonische platen. Het vaste land omvat het zuidelijk deel
hts- van de Zuid-Amerikaanse plaat. De oceanische korst duikt onder de continentale korst
punten: van Zuid-Amerika.
➢ Het oosten van Zuid-Amerika is een passieve continentrand, hier deden zich juiste
omstandigheden zoals vorming van aardolievoorraden voor.
➢ Het westen van Zuid-Amerika is een actieve continentrand, deze wordt gekenmerkt door
subductie die gepaard gaat met aardbevingen en actief vulkanisme. Bij subductie vind
opvallende gebergtevorming plaats; in het noorden (Colombia) zijn er meerdere
bergketens naast elkaar gevormd.
➢ Er is actief vulkanisme als gevolg van een hotspot bij de Galapagos-eilanden.
➢ De vorming van het Andesgebergte ging gepaard met het ontstaan van een
voorlandbekken aan de oostzijde van het gebergte. In dit bekken heeft veel sedimentatie
plaatsgevonden.
➢ De ligging van klimaatzones, vegetatiezones en landschapszones wordt in Zuid-Amerika
voor een groot deel bepaald door de breedteligging en de invloed van zee- en
windstromen.
Begrip Fysischgeografische kenmerken Zuid-Amerika
pen: Schilden = oud gesteente, opgeheven en afgevlakt. Door
gebergtevorming en erosie zijn deze schilden aan de
oppervlakte gekomen.
Hoogtezones = vormen een indeling van gebied naar hoogte. Er
zijn drie zones te onderscheiden:
➢ Laagland → 0-200m
➢ Middelland → 200-2000m
➢ Hoogland → + 2000m
Voor Zuid-Amerika geldt:
→ Andesgebergte = hoogland (4000-6000m)
→ Ten oosten Andes = laagland (0-200m)
→ Noorden & oosten ZA = hoogland (+2000m)
→ Ten westen van ZA ligt evenwijdig aan de kust in de
oceaan een diepe trog.
Hoogvlakte/hoogland = vlakte of zachtgolvend gebied op meer dan 500m hoogte
Ertsen = gesteenten met economisch winbaar gehalte aan metalen of mineralen; meestal
delfstoffen (uit de aarde gewonnen).
➢ Ertsen vormen zich op twee manieren.
○ Magma stolt langzaam, daardoor blijven er bepaalde elementen in hoge
concentraties over.
○ Sedimentlagen, ontstaat door verwering en erosie van ertshoudend gesteente of
door chemische processen.
➢ Bauxiet is een belangrijk erts, het bevat namelijk veel aluminium en het wordt gevonden
in lateriet.
Het Andes is rijk aan delfstoffen/ertsen, door opstijgend magma in de subductiezone. In
plooiingsgebergten vaak ertsen aan de oppervlakte door erosie van bovenliggend gesteente.
Fossiele energiebronnen = brandstoffen (aardolie, aardgas, bruinkool en steenkool) die in
miljoenen jaren is gevormd uit planten- en/of dierenresten.
➢ aardolie wordt gevormd door omzetting plankton
2