INHOUDSOPGAVE
Paragraaf 1.1: de grote recessie 1
Paragraaf 1.2: inkomen, hoe verdien je dat? 5
Paragraaf 1.3: structuur en conjunctuur 9
Paragraaf 1.4: overheid en economische groei 12
Paragraaf 1.5: monetair beleid 14
Paragraaf 1.6: geaggregeerde vraag-aanbodmodel 18
,Paragraaf 1.1: de grote recessie
Crisis
Recessie is een terugval in de economie waarbij het bbp 2 kwartalen achter elkaar krimpt.
→ langer duren = crisis / depressie.
Lage rente is de oorzaak.
Lage rente wordt veroorzaakt door:
➢ toename van besparingen
➢ afname van investeringen
○ CB gaat rentehendel verlagen om besparingen te ontmoedigen en investeringen
te stimuleren.
Met de bbp / effectieve vraag (EV) kun je welvaart meten → Y = C + I + O + (E - M)
Y = nationaal inkomen (bbp)
C = consumptie
I = investeringen van bedrijven
O = overheidsbestedingen
E = export
M = import
De vermogensmarkt
Vermogensmarkt = geheel van vraag naar en aanbod van vermogen.
Bestaat uit de geldmarkt en de kapitaalmarkt.
1) geldmarkt
➢ kortlopende kredieten tot 2 jaar;
○ bv. particuliere spaarrekeningen, kopen op afbetaling, etc.
2) kapitaalmarkt
➢ langlopende en permanente kredieten
○ bv. hypotheken, aandelen, obligaties, etc.
■ nieuwe aandelen/obligaties verhandeld op eerste handsmarkt
■ bestaande aandelen/obligaties verhandeld op tweedehandsmarkt.
De effectenbeurs
Op de effectenbeurs wordt gehandeld in waardepapieren zoals aandelen en obligaties.
Aandeel = bewijs van mede-eigendom van een nv of bv.
→ Aandeelhouders ontvangen dividend als vergoeding; hoogte dividend hangt af van winst
van een bedrijf.
Obligatie = schuldbekentenis voor een langlopende lening met een vaste rente.,
Obligatiehouders hebben de zekerheid van het ontvangen van een vast rentepercentage van de
nominale waarde van de obligatie.
Rendement = opbrengst van een belegging in procenten van het belegde bedrag.
➢ rendement aandelen = dividend + koersverandering
➢ rendement obligatie = rente + koersverandering
Koersen van aandelen hangen af van winstverwachtingen van bedrijven.
→ Winst = omzet - kosten
We onderscheiden twee soorten rendement
1. Nominaal rendement = opbrengst, prijsveranderingen worden niet meegenomen
2. Reëel rendement = opbrengst waarbij we rekening houden met deflatie/inflatie.
→ RIC = NIC : PIC x 100%
Personen die geen rekening houden met veranderingen van prijzen lijden aan geldillusie.
.1
, Aandelen en obligaties
Beleggers in aandelen lopen debiteurenrisico; de kans dat hij zijn geld niet terug krijgt.
➢ bij aandelen is het risico op wanbetaling groter dan bij spaarrekeningen.
Ook lopen beleggers inflatierisico: de reële waarde van de belegging kan in de loop van de tijd
afnemen.
Bij het kopen van obligaties loop je ook debiteurenrisico, maar bij obligaties krijg je een vast
rentepercentage terug. Daarom dalen de koersen als de marktrente stijgt.
Aandelen zijn risicovoller dan obligaties.
Risicoaversie op de aandelenmarkt = vraag aandelen verschuift naar vraag obligaties.
→ obligatiekoers stijgt, aandelenkoers daalt.
Op de aandelenmarkt is er dan sprake van selffulfilling prophecy en zeepbellen.
➢ Selffulfilling prophecy = een voorspelling die uitkomt omdat mensen ernaar handelen.
➢ Zeepbel = de prijzen staan niet meer in verhouding tot de hoogte van inkomens.
○ Zeepbel in de huizenmarkt = hypotheken onder water.
Woningen worden ook gezien als belegging, voor sparen voor de oude dag. Meestal wordt deze
aanschaf gefinancierd met een hypothecaire lening op de kapitaalmarkt. Rente op hypotheek
kan laag blijven omdat de bank hypothecaire zekerheid met een huis als onderpand heeft.
Lage rentes = hypotheeklasten lager.
daardoor: vraag naar woningen neemt toe.
Als de prijs in een stijgende trend zit zullen vragers de prijsstijging voor zijn en zullen zij eerder
gaan kopen.
➢ ontstaan selffulfilling prophecy.
Als het aanbod op korte termijn vrij constant is, kan een vraagstijging leiden tot een zeepbel.
Hefboomeffect
Lage rente → mensen gaat met geleend geld beleggen.
→ Zolang de rente die je betaalt over het geleend geld (=vreemd vermogen) minder is dan de
opbrengst van de belegging, neemt de beleggingswinst toe.
= positief hefboomeffect.
→ Als de rente die je betaalt over het geleende geld (=vreemd vermogen) meer is dan de
opbrengst van de belegging, neemt de beleggingswinst af.
= negatief hefboomeffect.
Hefboomeffect = verschijnsel dat over geleend geld (=vreemd vermogen) winst of verlies
gemaakt wordt, waardoor het rendement over het eigen vermogen groter of kleiner wordt.
.2