Fluoxetine
Citalopram
Paroxetine
Nortriptyline
Vraag 2. Een oudere patiënt met diabetes mellitus type 2 (waarvoor metformine), anginaklachten
(waarvoor acetylsalicylzuur en metoprolol) en hypercholesterolemie (waarvoor simvastatine)
gebruikt gedurende 4 maanden amitriptyline in verband met neuropathische pijn. Recent is hij door
onbekende oorzaak even weggeraakt en gevallen. De behandelend arts vermoedt dat de val
veroorzaakt wordt door amitriptyline.
Welk van onderstaande mechanismen past in deze casus het BEST bij amitriptyline?
Amitriptyline versterkt de simvastatine-gerelateerde spierzwakte.
Amitriptyline verhoogt de kans op een hypoglykemie bij deze patiënt.
Amitriptyline verhoogt de kans op een TIA bij deze patiënt.
Amitriptyline verhoogt de kans op ritmestoornissen van het hart.
Vraag 3. Er zijn verschillende preparaten beschikbaar van oxycodon.
Wat is het GROOTSTE klinische verschil tussen OxyNorm en OxyContin?
De mate van orale beschikbaarheid
De duur van het analgetisch effect
De grootte van het analgetisch effect
De route van eliminatie
Vraag 4. Bijwerkingencentrum Lareb maakt onderscheid tussen teratogene effecten (deze leiden tot
structurele en functionele aangeboren afwijkingen) en farmacologische effecten (tijdelijk nadelige
effecten voor de foetus) van geneesmiddelen die tijdens de zwangerschap worden gebruikt. Het
risico op farmacologische effecten bij de foetus verschilt per fase in de zwangerschap.
Wanneer is het farmacologisch risico het HOOGST?
Het 3e trimester
Het 2e trimester
Het 1ste trimester
Vraag 5. Een patiënt wordt behandeld met furosemide 40 mg 1 maal daags. Hoe lang is de
werkingsduur van furosemide ongeveer?
20 minuten
6 uur
24 uur
1 uur
Vraag 6. Welke van de volgende aandoeningen is geassocieerd met een GROTERE kans op het
ontwikkelen van een maagzweer bij gebruik van een NSAID?
Ziekte van alzheimer
Nierinsufficiëntie
COPD
Hartfalen
Vraag 7. Welke middel relaxeert preferentieel (dus bij lage doseringen) het veneuze vaatbed?
, Amlodipine
Metoprolol
Isosorbide-dinitraat
Enalapril
Vraag 8. CYP2D6 metaboliseert verschillende geneesmiddelen. Er is een grote genetische variabiliteit
in de populatie. Sommige mensen zijn ‘poor CYP2D6 metabolizers’ en andere ‘ultrarapid
metabolizers’.
Welke van de volgende pijnstillers schrijft u liever NIET voor omdat de werkzaamheid onder andere
afhankelijk is van activering door CYP2D6, waardoor niet te voorspellen is of het bij patiënten
überhaupt zal werken?
Methadon
Fentanyl
Codeïne
Morfine
Vraag 9. Een patiënt krijgt een antibioticakuur waarvan volgens de richtlijn 50 mg/kg per 24 h in 4
gelijke doses geïndiceerd is. De patiënt weegt 20 kg. U dient de antibiotica toe via een drank die 50
mg/ml bevat.
Bereken hoeveel ml drank u moet geven per dosis.
10 ml
42 ml
80 ml
5 ml
Vraag 10. Een 85-jarige patiënte, bekend met atriumfibrilleren en hypertensie, gebruikt
acenocoumarol, digoxine en hydrochloorthiazide. Ze komt naar de Spoedeisende Hulp in verband
met algehele malaise en diarree sinds een week.
Welke van de onderstaande elektrolyten dient nu in ieder geval bepaald te worden?
Fosfaat
Calcium
Magnesium
Kalium
Vraag 11. Welk van de onderstaande middelen kan ZONDER risico op teratogeen effect
voorgeschreven worden aan een zwangere patiënte?
Enalapril
Carbamazepine
Acenocoumarol
Amoxicilline
Vraag 12. U bent huisarts. U ziet op uw spreekuur een 59-jarige vrouw die 5 weken geleden
begonnen is met tricyclisch antidepressivum in verband met een ernstige depressie Zij geeft nu aan
dat ze sinds 2 weken last heeft van obstipatie en duizeligheid bij het opstaan (orthostatische
hypotensie).
Ten gevolge van welke twee farmacologische eigenschappen van het medicijn zijn deze bijwerkingen
het MEEST waarschijnlijk opgetreden?
Blokkade van muscarinereceptor (anticholinergisch) en blokkade van de alfa-1-receptor
(antinoradrenerg).
Potentiëring van muscarinereceptor (cholinerg) en blokkade van de histamine-1-receptor
(antihistaminerg).