Hoofdstuk 1
Organisaties: Een groep mensen die een gezamenlijk doel
nastreven
Bedrijven: Organisaties die producten of diensten produceren
Ondernemingen: Bedrijven die winst nastreven
Open systeem: De omgeving van de organisatie heeft invloed op de
organisatie.
Technisch systeem: Er zijn werkprocessen en informatiestromen.
Financieel-economisch systeem: Er is een geldstroom nodig.
Sociaal-politiek systeem: Er zijn mensen nodig.
De 3 theorieën voor basis behoeften
1. Theorie van Maslow (piramide)
Wanneer er van een deel van de piramide te kort is (deprivatie) Zal hij in actie komen (activatie) .
De piramide heeft een
hirargische volgorde. Je begint onderaan, en kan pas omhoog wanneer je voldoende hebt.
Deprivatie: Je hebt een tekort aan iets, en dan kom je in actie.
,Frustratieregressiehypothese: Wanneer je bijvoorbeeld door een handicap bepaalde dingen niet
meer kan doen en dus gefrustreerd wordt, worden de behoeftes van een lager niveau in de piramide
belangrijker.
Deficientiebehoefte: De eerste 4 lagen van de piramide.
Kritiek op Maslow
1, Niet een smet de vaste volgorde, verschillende behoefte zouden ook tegelijkertijd aanwezig
kunnen zijn.
2, Behoefte die anders ingedeeld of gegroepeerd kunnen worden.
3, Zelfactualisatie lijkt erg vaag en is moeilijk te meten.
2. Theorie van Alderfer (zegt behoefte zijn aangeboren)
Existentiële behoefte: De behoefte aan materiële zekerheid, een vast salaris
Relationele behoefte: Goede relaties
Groei behoeften: Persoonlijke groei
3. Theorie van McCelland: (zegt behoeften zijn aangeleerd)
Prestatiebehoeften: De beste zijn
Machtsbehoefte: De baas zijn
Affiliatiebehoefte: aardig zijn
Je ontwikkelt je behoefteprofiel in de eerste levensjaren.
Verwachtingstheorie van Vroom:
Intrinsieke behoefte: Door jezelf
Extrinsieke behoefte: Door buitenaf
Billek: De verhouding tussen inspanning en opbrengsten moet Billek zijn. De opbrengst moet redelijk
zijn.
Werk extrinsieke motivatie: Motivatie om te werken komt van buiten af bijvoorbeeld geld. Deze
motivatie is maar voor korte duur
Werk intrinsieke motivatie: Motivatie om te werken komt van jezelf. Dit is voor lange duur.
Big-five
Een profiel voor je persoonlijkheid
1.extraversie
2. vriendelijkheid
3. zorgvuldigheid
4. emotionele stabiliteit
5. openheid voor veranderingen
Neurotisisme: zenuwachtigheid, emotionele instabiliteit.
,Het ASE-Model
Interne intributie: Je kijkt naar je zelf wanneer je een toets niet hebt gehaald
Externe intributie: Meerdere hebben het fout gedaan, je kijkt naar de situatie. Je hebt met de hele
klas je toets niet gehaald, dus je staat met elkaar
Fundumentele atuributiefout: iemand rijdt je heel hard voorbij en later blijkt het dat er een ongeluk
is gebeurd. Automatisch denk je dat dat die persoon is geweest. Dit hoeft natuurlijk niet. Je maakt
dus een fundumentele atribiutiefout. Is op basis van gedrag
Arbeidssatisfactie: tevredenheid.
Relatie tussen individu en organisatie:
Ruilrelatie
Wederzijdse afhankelijkheid
Betrokkenheid.
Affectieve betrokkenheid: wij-gevoel.
Normatieve betrokkenheid: niet in de steek laten.
Continuïteitsbetrokkenheid: je weet wat je hebt.
,