Kennisclip 1.1: Meetfout
Populatie= alle eenheden waar je in je onderzoek een uitspraak over wilt doen
Steekproef= kleinere groep van onderzoekseenheden uit de populatie om daadwerkelijk te
onderzoeken
Meetfout= het natuurlijke verschil tussen de populatiekenmerken en steekproefkenmerken
Inferenties= conclusies trekken (voorwaarde hiervoor is dat de steekproef aselect is, wat wil
zeggen dat alle eenheden in de populatie een even grote kans hadden om terecht te komen
in de steekproef)
Parameters= kenmerken van de populatie
Statistieken= kenmerken van de steekproef
Kennisclip 1.2: Meetniveaus
ZEKER TENTAMENVRAAG
Er zijn vier verschillende meetniveau ’s:
1. Nominaal (laagste): een variabele kan verschillende waarden aannemen (man of
vrouw) -> percentages, frequentietabel, staafdiagram, cirkeldiagram
2. Ordinaal: verschillende waarden EN er zit ordening in deze waarden
(opleidingsniveau) -> percentages, frequentietabel, staafdiagram, cirkeldiagram
3. Interval: Verschillende waarden EN ordening EN waar de waardes op gelijke afstand
van elkaar liggen (Denk aan IQ) -> gemiddelde + standaarddeviatie, histogram,
polygram
4. Ratio (hoogste): Verschillende waarden EN ordening EN waarde op gelijke afstand
EN absoluut en natuurlijk nulpunt (zoals aantal stemmers verkiezing) -> gemiddelde
+ standaarddeviatie, histogram, polygram
Twee bijzondere gevallen:
1. Vragen die respondenten kunnen beantwoorden op een schaal met 5 punten, we
zeggen dan in deze cursus dat het een ordinaal meetniveau is.
, 2. Serie van vragen en stellingen op 5 punts schaal die samen een score worden, in
deze cursus zijn samengestelde variabelen op een vijfpuntschaal een interval
meetniveau
Kennisclip 1.3: centrummaten
Centrummaten zijn nuttig wanneer je de verdeling in één score wilt uitdrukken (de meest
representatieve).
Er zijn drie soorten centrummaten, de keuze voor welke je gebruikt hangt samen met het
meetniveau van de variabelen:
1. Modus: minimaal nominaal meetniveau, dit is de meest voorkomende waarde in de
verdeling (hoogte frequentie). Er kunnen meerdere modi zijn als deze even vaak
voorkomen
2. Mediaan: minimaal ordinaal meetniveau, dit is de middelste waarde in een verdeling
(nadat je ze hebt gerangschikt van laag naar hoog) -> van een even aantal neem je
de middelste twee en bereken je het gemiddelde
3. Gemiddelde: minimaal interval meetniveau, LET OP NOTATIE:
Links is gemiddelde in populatie, rechts is gemiddelde in steekproef. Gemiddelde is niet heel
handig als er een aantal extreme scores in de verdeling zitten
Kennisclip 1.4a: spreidingsmaten
Spreidingsmaten zijn belangrijk omdat centrummaten niet alles zeggen
Drie spreidingsmaten:
1. Sum of squares (som van de kwadraten van de afstand van X tot het gemiddelde):
2. Variantie
3. Standaarddeviatie (SS en variantie zijn tussenstappen om SD te berekenen)
Er is een onderscheid tussen een definitieformule en een rekenformule, vooral
rekenformule gebruiken.
Rekenformule SS:
, Rekenformule variantie (rechts populatie, links steekproef):
Formule standaarddeviatie:
Kennisclip 1.5: normaalverdeling
Normaalverdeling heeft de volgende kenmerken:
1. Gemiddelde=modus=mediaan
2. Aan beide kanten van mu/M evenveel scores
3. Meeste scores rond mu/M
4. Extreme scores komen weinig voor
Tussen -1 x en +1 keer de SD ligt 70% van de scores
Tussen -2 x en +2 x de SD ligt 95% van de scores
Kennisclip 2.1a: Z-score
Z-score geeft informatie over de relatieve plaats van X (ruwe score) in een verdeling. Het
geeft aan hoe ver de X van het gemiddelde ligt.
Kenmerken:
1. Gestandaardiseerde verdeling
2. Geeft informatie of een score onder of boven gemiddeld is (positieve score= boven
gemiddeld, negatieve score= onder gemiddeld)
3. Geeft informatie over hoeveel standaarddeviaties een score afligt van het
gemiddelde