De Mens 3
Thema 1; Fysiologie
Schema circulatie
Inleiding
- Functie hart?= zorgt ervoor dat bloed voortgestuwd wordt.
- Gevolg?= hierdoor vindt er transport plaats, van en naar plaatsen waar uitwisseling
plaatsvindt.
- O2 transport van de longen naar weefsels
- Co2 transport van de weefsels naar de longen
- Voedingsstoffen vanuit de darmen naar weefsels
- Afvalstoffen vanuit de weefsels naar de nieren en de lever
- Signaalstoffen zoals hormonen naar de doelorganen
- Waarom?= zo dragen hart en bloed bij aan het handhaven interne milieu.
- Bloedstroom draagt ook bij= aan de handhaving van de lichaamstemperatuur.
Namelijk warmte die vrijkomt bij stofwisselingsprocessen → wordt getransporteerd
naar de huid.
Route bloedstroom
- Hart doel?= is een dubbele pomp.
- Rechter Pomp?= rechterventrikel of rechterkamer= pompt zuurstofarm bloed uit het
lichaam door de longen.
, - Longcirculatie= het vaatstelsel naar, door en vanuit de longen.
- Linker Pomp?= linkerventrikel of linkerkamer= zuurstofrijk bloed uit de longen wordt
door deze pomp gepompt door de rest van het lichaam.
- Lichaamscirculatie of systeemcirculatie= het vaatstelsel naar, door en vanuit de
lichaamsweefsels.
- Het bloed uit de lichaamsweefsels keert terug naar de rechter harthelft.
- De twee pompen liggen naast elkaar maar functioneel gezien zijn de twee pompen in
serie geschakeld.
- Wat?= het bloed stroomt achtereenvolgens door de longcirculatie en de
lichaamscirculatie.
- Per tijdseenheid evenveel bloed door de long vaten stroomt, als door de
gezamenlijke bloedvaten van de lichaamscirculatie.
- Bloedstroom Sterke= hartminuutvolume, HMV, of cardiac output.
- Bij gezond volwassen persoon in rust?= ongeveer 5 L/ min.
- In rust?= stroomt zeker de helft door de buikorganen, nieren en het maag-
darmkanaal.
Functionele anatomie van het hart
- Waar?= het hart ligt in de thoraxholte.
- Dus achter het borstbeen, ter hoogte van de tweede tot vijfde
intercostaalruimte (tussenrib ruimte) en steunt op het middenrif.
- De punt?= wijst naar links
- Hart zelf?= is een holle spier, vuistgroot en weest 300 gram.
- Hartzakje= een dubbele laag met een kleine hoeveelheid vloeistof ertussen, om het
hart heen.
- Wat?= deze vloeistof zorgt ervoor dat de twee lagen soepel over elkaar
glijden.
- Binnenste laag?= epicard
- Buitenste laag?= pericard
- Vaak wordt met pericard ook het hele hartzakje aangeduid.
-
Hart en grote vaten
- Hartzakje verwijderd?= zie je het hart met de grote vaten.
- Bovenzijde van het hart?= zijn twee grote slagaders te zien die bloed uit het hart
wegvoeren.
- Lichaamsslagader= aorta
- Longslagader= arteria pulmonalis
,-
- De aorta vormt?= ene boog vlak boven het hart.
- De arteria pulmonalis= splitst vlak boven het hart in een linker en rechter tak → die
vervolgens naar de longen gaan.
- Zodra de aorta uit het hart komt → ontspringen er twee takken naar de hartspier →
de linker en rechter kransslagader (coronairarterie).
- De aorta en de arteria pulmonalis= kruisen elkaar vlak boven het hart.
- Aan weerszijden?= zijn er venen te zien, die bloed toevoeren naar het hart met bloed
uit het lichaam.
- Waar?= aan de rechterbovenzijde
- Onderste holle ader= de vena cava inferior
- Bovenste holle ader= de vena cava superior
- Aan de linker bovenzijde van het hart?= monden er 4 aders uit het hart; longaders
- (venae pulmonales)
-
- De bovenste ruimtes= noem je de boezems, atria
- De onderste ruimtes= noem je de kamers, ventrikels
- Uit de ventrikels= ontspringen de grote slagaders.
- Uit de linkerventrikel= ontspringt de aorta
- Uit de rechterventrikel= ontspringt de pulmonalis stam (arteriae pulmonales)
- De aorta en de longslagaders kruisen elkaar vlak boven het hart.
- In het rechteratrium= monden de vena cava inferior en de vena cava superior.
- Taak?= deze voeren veneus bloed naar het hart,
- afkomstig van respectievelijk romp en benen → door vena cava inferior
, - afkomstig van respectievelijk hoofd en armen → afkomstig vena cava
superior.
- In het linkeratrium= monden 4 pulmonale venen uit.
Hartwand
- De linkerventrikel= heeft de dikste wand.
- Waarom?= omdat deze linker meer druk moet leveren dan de rechter. De
linker pompt het bloed immers naar de aorta, waar de druk gemiddelde 5x zo
hoog is als de rechter.
- De wand?= bestaat bijna geheel uit spierweefsel (myocard)
- Het tussenschot tussen de linker en rechterhelft= septum → die is voornamelijk ook
opgebouwd uit spierweefsel.
- Het endocard= de dunne binnenste laag van endotheel.
- Dat ook het bindweefsel van de hartkleppen bedekt en de buitenste laag.
- Epicard met daaromheen het pericard, samen het hartzakje vormend.
- Kleppen?= er zitten kleppen links en rechts tussen het atrium en de ventrikel
- De AV kleppen= de atrioventriculaire kleppen
- De linker AV klep= mitralisklep
- De rechter AV klep= tricuspidalisklep
- Hoe?= de kleppen werken als klapdeuren die maar 1 kant opengaan.
- Verbonden?= ze zijn via dunne bindweefsel draden (chordae tendineae)
verbonden met spiervezels aan de binnenzijde van de ventrikel
(papillairspieren)
- Doel?= deze zorgen ervoor dat de kleppen bij sluiting van de kleppen
niet ‘omklappen’ en zich naar de verkeerde kant openen.
- Gevolg?= zo wordt het eenrichtingsverkeer van het bloed bij de
kleppen geregeld.
-
- Daarnaast?= zijn er ook kleppen aan het begin van de grote arteriën.
- Naam?= de aortaklep en de pulmonalisklep
- Samen met de AV kleppen liggen ze ongeveer in 1 vlak naast elkaar.
- De kleppen hebben geen spierweefsel.
- Openen?= ze gaan pas open en dicht doormiddel van invloed van
drukverschillen
Hartfunctie
- Hoe werkt het hart nou?
Thema 1; Fysiologie
Schema circulatie
Inleiding
- Functie hart?= zorgt ervoor dat bloed voortgestuwd wordt.
- Gevolg?= hierdoor vindt er transport plaats, van en naar plaatsen waar uitwisseling
plaatsvindt.
- O2 transport van de longen naar weefsels
- Co2 transport van de weefsels naar de longen
- Voedingsstoffen vanuit de darmen naar weefsels
- Afvalstoffen vanuit de weefsels naar de nieren en de lever
- Signaalstoffen zoals hormonen naar de doelorganen
- Waarom?= zo dragen hart en bloed bij aan het handhaven interne milieu.
- Bloedstroom draagt ook bij= aan de handhaving van de lichaamstemperatuur.
Namelijk warmte die vrijkomt bij stofwisselingsprocessen → wordt getransporteerd
naar de huid.
Route bloedstroom
- Hart doel?= is een dubbele pomp.
- Rechter Pomp?= rechterventrikel of rechterkamer= pompt zuurstofarm bloed uit het
lichaam door de longen.
, - Longcirculatie= het vaatstelsel naar, door en vanuit de longen.
- Linker Pomp?= linkerventrikel of linkerkamer= zuurstofrijk bloed uit de longen wordt
door deze pomp gepompt door de rest van het lichaam.
- Lichaamscirculatie of systeemcirculatie= het vaatstelsel naar, door en vanuit de
lichaamsweefsels.
- Het bloed uit de lichaamsweefsels keert terug naar de rechter harthelft.
- De twee pompen liggen naast elkaar maar functioneel gezien zijn de twee pompen in
serie geschakeld.
- Wat?= het bloed stroomt achtereenvolgens door de longcirculatie en de
lichaamscirculatie.
- Per tijdseenheid evenveel bloed door de long vaten stroomt, als door de
gezamenlijke bloedvaten van de lichaamscirculatie.
- Bloedstroom Sterke= hartminuutvolume, HMV, of cardiac output.
- Bij gezond volwassen persoon in rust?= ongeveer 5 L/ min.
- In rust?= stroomt zeker de helft door de buikorganen, nieren en het maag-
darmkanaal.
Functionele anatomie van het hart
- Waar?= het hart ligt in de thoraxholte.
- Dus achter het borstbeen, ter hoogte van de tweede tot vijfde
intercostaalruimte (tussenrib ruimte) en steunt op het middenrif.
- De punt?= wijst naar links
- Hart zelf?= is een holle spier, vuistgroot en weest 300 gram.
- Hartzakje= een dubbele laag met een kleine hoeveelheid vloeistof ertussen, om het
hart heen.
- Wat?= deze vloeistof zorgt ervoor dat de twee lagen soepel over elkaar
glijden.
- Binnenste laag?= epicard
- Buitenste laag?= pericard
- Vaak wordt met pericard ook het hele hartzakje aangeduid.
-
Hart en grote vaten
- Hartzakje verwijderd?= zie je het hart met de grote vaten.
- Bovenzijde van het hart?= zijn twee grote slagaders te zien die bloed uit het hart
wegvoeren.
- Lichaamsslagader= aorta
- Longslagader= arteria pulmonalis
,-
- De aorta vormt?= ene boog vlak boven het hart.
- De arteria pulmonalis= splitst vlak boven het hart in een linker en rechter tak → die
vervolgens naar de longen gaan.
- Zodra de aorta uit het hart komt → ontspringen er twee takken naar de hartspier →
de linker en rechter kransslagader (coronairarterie).
- De aorta en de arteria pulmonalis= kruisen elkaar vlak boven het hart.
- Aan weerszijden?= zijn er venen te zien, die bloed toevoeren naar het hart met bloed
uit het lichaam.
- Waar?= aan de rechterbovenzijde
- Onderste holle ader= de vena cava inferior
- Bovenste holle ader= de vena cava superior
- Aan de linker bovenzijde van het hart?= monden er 4 aders uit het hart; longaders
- (venae pulmonales)
-
- De bovenste ruimtes= noem je de boezems, atria
- De onderste ruimtes= noem je de kamers, ventrikels
- Uit de ventrikels= ontspringen de grote slagaders.
- Uit de linkerventrikel= ontspringt de aorta
- Uit de rechterventrikel= ontspringt de pulmonalis stam (arteriae pulmonales)
- De aorta en de longslagaders kruisen elkaar vlak boven het hart.
- In het rechteratrium= monden de vena cava inferior en de vena cava superior.
- Taak?= deze voeren veneus bloed naar het hart,
- afkomstig van respectievelijk romp en benen → door vena cava inferior
, - afkomstig van respectievelijk hoofd en armen → afkomstig vena cava
superior.
- In het linkeratrium= monden 4 pulmonale venen uit.
Hartwand
- De linkerventrikel= heeft de dikste wand.
- Waarom?= omdat deze linker meer druk moet leveren dan de rechter. De
linker pompt het bloed immers naar de aorta, waar de druk gemiddelde 5x zo
hoog is als de rechter.
- De wand?= bestaat bijna geheel uit spierweefsel (myocard)
- Het tussenschot tussen de linker en rechterhelft= septum → die is voornamelijk ook
opgebouwd uit spierweefsel.
- Het endocard= de dunne binnenste laag van endotheel.
- Dat ook het bindweefsel van de hartkleppen bedekt en de buitenste laag.
- Epicard met daaromheen het pericard, samen het hartzakje vormend.
- Kleppen?= er zitten kleppen links en rechts tussen het atrium en de ventrikel
- De AV kleppen= de atrioventriculaire kleppen
- De linker AV klep= mitralisklep
- De rechter AV klep= tricuspidalisklep
- Hoe?= de kleppen werken als klapdeuren die maar 1 kant opengaan.
- Verbonden?= ze zijn via dunne bindweefsel draden (chordae tendineae)
verbonden met spiervezels aan de binnenzijde van de ventrikel
(papillairspieren)
- Doel?= deze zorgen ervoor dat de kleppen bij sluiting van de kleppen
niet ‘omklappen’ en zich naar de verkeerde kant openen.
- Gevolg?= zo wordt het eenrichtingsverkeer van het bloed bij de
kleppen geregeld.
-
- Daarnaast?= zijn er ook kleppen aan het begin van de grote arteriën.
- Naam?= de aortaklep en de pulmonalisklep
- Samen met de AV kleppen liggen ze ongeveer in 1 vlak naast elkaar.
- De kleppen hebben geen spierweefsel.
- Openen?= ze gaan pas open en dicht doormiddel van invloed van
drukverschillen
Hartfunctie
- Hoe werkt het hart nou?