Duits aantekeningen
1. Uitspraak Seite 2
2. Werkwoorden vervoegen (t.t., zwak, sterk, volt. dw) Seite 3
3. Het bijvoeglijk naamwoord Seite 7
4. Naamvallen (voorzetsels, werkwoorden, schema’s) Seite 8
5. Vraagwoorden (wie, wat, waar, wanneer, etc.) Seite 11
6. De gebiedende wijs Seite 12
7. Haben, sein, werden (t.t. & v.t.) Seite 13
8. Modale werkwoorden (t.t. & v.t.) Seite 15
9. Getallen, rangtelwoorden, kloktijden Seite 19
10. Tijdsbepalingen Seite 21
11. Het woordgeslacht Seite 22
12. Het wederkerend werkwoord Seite 23
1
,1. Uitspraak
Ä ä Ö ö Ü ü Äu äu (AUTO)
Deze drie klinkers en klinkercombinatie met Umlaut worden als volgt uitgesproken:
Niederländer -> ä klinkt als de ‘e’ in hen
hören -> ö klinkt als ‘eu’ in zeuren
fünf -> ü klinkt als uu in ‘vuur’
Bäume -> äu klinkt als ‘oi’ in ‘hoi’
2
, 2. Werkwoorden vervoegen (t.t)
De basis: vervoeging van zwakke en sterke werkwoorden: (fe)esttenten
Bij het vervoegen van een werkwoord (zwak of sterk) in de t.t. ga je uit van de stam
van een werkwoord.
Je krijgt de stam door de laatste lettergreep (-en) van het hele werkwoord weg te
laten:
maken machen mach-
wonen wohnen wohn-
heten heißen heiß-
*Soms kun je geen –en weglaten, bijvoorbeeld bij het werkwoord tun (= doen).
Je moet dan de –n weglaten: doen tun tu-
machen = maken tun = doen
ich mach e tu e
du mach st tu st
er/sie/es/man mach t tu t
wir mach en tu n
ihr mach t tu t
sie mach en tu n
Sie mach en tu n
Volt. Dw. gemacht (= zwak ww) getan (= sterk ww)
Werkwoorden met stam op sis- klank: (pr)ettenten
Als de stam van een werkwoord (ongeacht sterk of zwak) eindigt op een – s, - z, - x
of – ß, krijg je bij de du- vorm (o.t.t.) van het werkwoord niet de uitgang –st, maar –t,
want de uitgang –st hoor je na een sis- klank niet!
heten = heißen zitten = sitzen
ich heiß e sitz e
du heiß t sitz t
er/sie/es/man heiß t sitz t
wir heiß en sitz en
ihr heiß t sitz t
sie heiß en sitz en
Sie heiß en sitz en
Volt. Dw. gehießen (= sterk ww) gesessen (= sterk ww)
3
1. Uitspraak Seite 2
2. Werkwoorden vervoegen (t.t., zwak, sterk, volt. dw) Seite 3
3. Het bijvoeglijk naamwoord Seite 7
4. Naamvallen (voorzetsels, werkwoorden, schema’s) Seite 8
5. Vraagwoorden (wie, wat, waar, wanneer, etc.) Seite 11
6. De gebiedende wijs Seite 12
7. Haben, sein, werden (t.t. & v.t.) Seite 13
8. Modale werkwoorden (t.t. & v.t.) Seite 15
9. Getallen, rangtelwoorden, kloktijden Seite 19
10. Tijdsbepalingen Seite 21
11. Het woordgeslacht Seite 22
12. Het wederkerend werkwoord Seite 23
1
,1. Uitspraak
Ä ä Ö ö Ü ü Äu äu (AUTO)
Deze drie klinkers en klinkercombinatie met Umlaut worden als volgt uitgesproken:
Niederländer -> ä klinkt als de ‘e’ in hen
hören -> ö klinkt als ‘eu’ in zeuren
fünf -> ü klinkt als uu in ‘vuur’
Bäume -> äu klinkt als ‘oi’ in ‘hoi’
2
, 2. Werkwoorden vervoegen (t.t)
De basis: vervoeging van zwakke en sterke werkwoorden: (fe)esttenten
Bij het vervoegen van een werkwoord (zwak of sterk) in de t.t. ga je uit van de stam
van een werkwoord.
Je krijgt de stam door de laatste lettergreep (-en) van het hele werkwoord weg te
laten:
maken machen mach-
wonen wohnen wohn-
heten heißen heiß-
*Soms kun je geen –en weglaten, bijvoorbeeld bij het werkwoord tun (= doen).
Je moet dan de –n weglaten: doen tun tu-
machen = maken tun = doen
ich mach e tu e
du mach st tu st
er/sie/es/man mach t tu t
wir mach en tu n
ihr mach t tu t
sie mach en tu n
Sie mach en tu n
Volt. Dw. gemacht (= zwak ww) getan (= sterk ww)
Werkwoorden met stam op sis- klank: (pr)ettenten
Als de stam van een werkwoord (ongeacht sterk of zwak) eindigt op een – s, - z, - x
of – ß, krijg je bij de du- vorm (o.t.t.) van het werkwoord niet de uitgang –st, maar –t,
want de uitgang –st hoor je na een sis- klank niet!
heten = heißen zitten = sitzen
ich heiß e sitz e
du heiß t sitz t
er/sie/es/man heiß t sitz t
wir heiß en sitz en
ihr heiß t sitz t
sie heiß en sitz en
Sie heiß en sitz en
Volt. Dw. gehießen (= sterk ww) gesessen (= sterk ww)
3