ABSP2020_opdracht 3: Arbeidsparticipatie
Vraag 1:
Stel je de zeer onwaarschijnlijke situatie voor dat de huidige regeringsformatie leidt tot
een minderheidsregering van PvdA/GroenLinks/SP/BIJ1/Partij voor de Dieren. De
nieuwe regering is voornemens om zowel de WW-uitkering als de bijstandsuitkering te
verhogen. Welk effect zou dit volgens de arbeidsaanbodtheorie hebben op de arbeids-
participatie van Nederlanders? Zouden zij meer of juist minder gaan werken? Zal het
voor elk persoon dezelfde effecten hebben, of zijn er verschillen mogelijk? Leg uit, en
maak daarbij gebruik van grafieken. Is er ook kritiek op de benadering van de arbeids-
aanbodtheorie als het aankomt op de hoogte van uitkeringen mogelijk? Leg uit.
Wanneer zowel de WW-uitkering als de bijstandsuitkering verhoogd wordt, dan zullen
werkloze Nederlanders zich volgens de arbeidsaanbodtheorie minder gaan aanbieden op de
arbeidsmarkt. Werklozen worden in dat geval niet gemotiveerd om meer te werken, aangezien
ze met een verhoogde uitkering economisch gezien beter af zijn dan wanneer zij de arbeids-
markt instappen. Figuur 1 illustreert dit. Een verhoogde uitkering kan in de grafiek worden
gezien als de bovenste budgetlijn. Wanneer zij zouden gaan werken, dan neemt het aantal
uren vrije tijd af en zal de consumptie in euro’s zeer waarschijnlijk lager zijn dan bij een ver-
hoogde uitkering, waardoor de onderste budgetlijn uit figuur 1 van toepassing is. In dergelijke
grafieken staat een hogere indifferentiecurve voor meer ‘nut’, wat de uitkomst is van het ver-
menigvuldigen van iemands consumptie in euro’s met de hoeveelheid uren die aan vrije tijd
worden besteed. Personen gaan altijd opzoek naar de hoogste indifferentiecurve (Borjas,
2015).
Figuur 1. The Effect of a Change in Nonlabor Income on Hours of Work (Borjas, 2015, p. 36).
1
Vraag 1:
Stel je de zeer onwaarschijnlijke situatie voor dat de huidige regeringsformatie leidt tot
een minderheidsregering van PvdA/GroenLinks/SP/BIJ1/Partij voor de Dieren. De
nieuwe regering is voornemens om zowel de WW-uitkering als de bijstandsuitkering te
verhogen. Welk effect zou dit volgens de arbeidsaanbodtheorie hebben op de arbeids-
participatie van Nederlanders? Zouden zij meer of juist minder gaan werken? Zal het
voor elk persoon dezelfde effecten hebben, of zijn er verschillen mogelijk? Leg uit, en
maak daarbij gebruik van grafieken. Is er ook kritiek op de benadering van de arbeids-
aanbodtheorie als het aankomt op de hoogte van uitkeringen mogelijk? Leg uit.
Wanneer zowel de WW-uitkering als de bijstandsuitkering verhoogd wordt, dan zullen
werkloze Nederlanders zich volgens de arbeidsaanbodtheorie minder gaan aanbieden op de
arbeidsmarkt. Werklozen worden in dat geval niet gemotiveerd om meer te werken, aangezien
ze met een verhoogde uitkering economisch gezien beter af zijn dan wanneer zij de arbeids-
markt instappen. Figuur 1 illustreert dit. Een verhoogde uitkering kan in de grafiek worden
gezien als de bovenste budgetlijn. Wanneer zij zouden gaan werken, dan neemt het aantal
uren vrije tijd af en zal de consumptie in euro’s zeer waarschijnlijk lager zijn dan bij een ver-
hoogde uitkering, waardoor de onderste budgetlijn uit figuur 1 van toepassing is. In dergelijke
grafieken staat een hogere indifferentiecurve voor meer ‘nut’, wat de uitkomst is van het ver-
menigvuldigen van iemands consumptie in euro’s met de hoeveelheid uren die aan vrije tijd
worden besteed. Personen gaan altijd opzoek naar de hoogste indifferentiecurve (Borjas,
2015).
Figuur 1. The Effect of a Change in Nonlabor Income on Hours of Work (Borjas, 2015, p. 36).
1