1. HET ZINTUIGENSTELSEL
Interne prikkels: prikkels van inwendig milieu (osmoreceptoren, pH-
receptoren)
Externe prikkels: prikkels van externe milieu
Er zijn ook zintuigcellen die veranderingen van de stand van het lichaam
registreren. Dit zijn propireceptoren. In de figuur hiernaast zie je verschillende
soorten receptoren. Mechanische receptoren wordten geprikkeld door
mechanische energie. Chemische receptoren kunnen moleculen binden waar ze op
reageren.
Er ontstaat een impuls als de prikkel sterker is dan de prikkeldrempel. De prikkel
van je zintuigcellen met de laagste prikkeldrempel is de adequate prikkeldrempel.
Op andere prikkels kunnen ze ook reageren maar dan is de prikkeldrempel veel
hoger. Als een prikkel enige tijd aanhoud ontstaat er gewenning. Dit noem je
adaptatie. Je zintuigen passen dan prikkeldrempel aan dit zorgt ervoor dat je
centrale zenuwstelsel niet overprikkeld wordt.
2.HET OOG
Het witte gedeelte om ‘het oog’is het harde vlies. Dit beschermt het oog. Het vlies over de iris en de pupil heen heet het
hoornvlies. De iris heeft een kleur dat wordt veroorzaakt door pigment. Het traanvocht zorgt ervoor dat de ogen niet uitdrogen
en dit wordt geproduceerd boven de ogen in de traanklieren. In de ooghoeken zitten openingen waardoor het traanvocht bij het
oog komt. Hierna wordt het afgevoerd via de traanbuis.
Het oog wordt gevuld door het glasachtig lichaam. Daar omheen zit het
netvlies, daarna komt het vaatvlies en dan het harde oogvlies. In het
netvlies liggen de lichtreceptoren. De lens, straalvormig lichaam en
hoornvlies zorgen ervoor door middel van het straalvormig lichaam dat
de lichtstralen goed op het netvlies valt waardoor een scherp beeld
ontstaat. Op het netvlies liggen lichtreceptoren. Met de lichtreceptoren
in de gele vlek kun je het scherpst zien de neuronen verbinden de
lichtreceptoren met de oogzenuw, waar deze het oog verlaat, kun je niks
zien (blinde vlek).
Het beeld wordt, net als bij een camera omgekeerd op je netvlies afgebeeld. Je hersenen verwerken de informatie zo dat je het
beeld rechtop staand waarneemt. Om een beeld goed op je netvlies te krijgen kun je accommoderen. Bij een camera zet je de
lens naar voor of naar achter als je iets van veraf of iets van dichtbij moet bekijken, bij mensen verandert de ooglens. Als je naar
een voorwerp kijkt op meer dan 5 meter afstand dan zijn de kringspieren
(accommodatiespieren) in het straalvormig lichaam ontspannen. Hierdoor
wordt je lens platter omdat de lensbandjes de lens naar het straalvormig
lichaam trekken. Als je naar een voorwerp op een afstand minder dan 5
meter kijkt, trekken de kringspieren samen waardoor de straal van het
straalvormig lichaam kleiner wordt en de lensbandjes losser. Hierdoor wordt
de lens boller.
LENZEN
Licht wordt gebroken op plaatsen waar het medium verandert. Hierdoor valt het licht door de lens precies op het netvlies
(brandpunt). De lichtstralen worden gebogen door het hoornvlies en de lens. Door de ooglens boller of minder bol te maken
verandert de brandpuntafstand. Als de lens niet meer goed werkt kan dit geholpen worden met een lens ervoor: