AK VWO 4 Hoofdstuk 2: Endogene en exogene krachten
Paragraaf 1) De geologische tijdschaal
Een korte geschiedenis van de aarde
De geschiedenis van de aarde wordt samengevat in de geologische tijdschaal. Deze bestaat uit
verschillende tijdvakken. Bewegingen van continenten en klimatologische omstandigheden zorgen
voor de verschillende planten en diersoorten in elk tijdvak.
Het actualiteitsbeginsel
Met het actualiteitsbeginsel ga je ervan uit dat fysische processen die nu plaats vinden vroeger ook
zo gebeurde. Aan de hand hiervan kun je bijvoorbeeld bedenken hoe iets er vroeger uit zag.
, Paragraaf 2) Platentektoniek
Opbouw van de aarde
Je kan de opbouw van de aarde op twee manieren indelen:
1. Verschillende dichtheid-> de aardkern, aardmantel en aardkorst.
2. Plasticiteit-> de buitenste laag van de mantel en de aardkorst zijn vast gesteente en vormen
de lithosfeer (opgebouwd uit platen die ten opzichte van elkaar bewegen), het plastische
gedeelte is de asthenosfeer, hierop drijven de platen.
Convectiestromen
Door warmte uit de kern ontstaan confectiestromen, hierdoor bewegen de platen van de lithosfeer.
Het zo ontstane systeem van plaatbewegingen noem je platentektoniek.
Plaatgrenzen
En zijn drie verschillende plaatgrenzen:
1. Divergente plaatgrens->
Hierbij bewegen twee platen uit elkaar. Op een divergente plaatgrens bij twee oceanische platen
komt dan magma naar boven, hier ontstaat en langgerekt gebergte, een midoceanische rug.
2. Convergente plaatgrens->
Hierbij bewegen twee platen naar elkaar toe. Als het twee continentale platen zijn ontstaat er een
plooiingsgebergte. Als het om twee oceanische of een oceanische en een continentale plaat gaat dan
vindt er een subductie plaats. Hierbij gaat de zwaarste oceanische plaat onder de andere plaat, bij dit
proces ontstaat een diepzeetrog, een langgerekte diepte in de oceaan.
3. Transforme plaatgrens->
Hierbij bewegen twee platen langs elkaar. Door ophopende spanning ontstaan er aardbevingen.
Paragraaf 1) De geologische tijdschaal
Een korte geschiedenis van de aarde
De geschiedenis van de aarde wordt samengevat in de geologische tijdschaal. Deze bestaat uit
verschillende tijdvakken. Bewegingen van continenten en klimatologische omstandigheden zorgen
voor de verschillende planten en diersoorten in elk tijdvak.
Het actualiteitsbeginsel
Met het actualiteitsbeginsel ga je ervan uit dat fysische processen die nu plaats vinden vroeger ook
zo gebeurde. Aan de hand hiervan kun je bijvoorbeeld bedenken hoe iets er vroeger uit zag.
, Paragraaf 2) Platentektoniek
Opbouw van de aarde
Je kan de opbouw van de aarde op twee manieren indelen:
1. Verschillende dichtheid-> de aardkern, aardmantel en aardkorst.
2. Plasticiteit-> de buitenste laag van de mantel en de aardkorst zijn vast gesteente en vormen
de lithosfeer (opgebouwd uit platen die ten opzichte van elkaar bewegen), het plastische
gedeelte is de asthenosfeer, hierop drijven de platen.
Convectiestromen
Door warmte uit de kern ontstaan confectiestromen, hierdoor bewegen de platen van de lithosfeer.
Het zo ontstane systeem van plaatbewegingen noem je platentektoniek.
Plaatgrenzen
En zijn drie verschillende plaatgrenzen:
1. Divergente plaatgrens->
Hierbij bewegen twee platen uit elkaar. Op een divergente plaatgrens bij twee oceanische platen
komt dan magma naar boven, hier ontstaat en langgerekt gebergte, een midoceanische rug.
2. Convergente plaatgrens->
Hierbij bewegen twee platen naar elkaar toe. Als het twee continentale platen zijn ontstaat er een
plooiingsgebergte. Als het om twee oceanische of een oceanische en een continentale plaat gaat dan
vindt er een subductie plaats. Hierbij gaat de zwaarste oceanische plaat onder de andere plaat, bij dit
proces ontstaat een diepzeetrog, een langgerekte diepte in de oceaan.
3. Transforme plaatgrens->
Hierbij bewegen twee platen langs elkaar. Door ophopende spanning ontstaan er aardbevingen.