NL VWO 5 Spelling
Spelling
Werkwoordspelling
Persoonsvorm
Tegenwoordige tijd:
Stam -> ik ervoor/-achter en jij/je erachter.
Stam+t-> in alle andere gevallen.
Verleden tijd:
Zwakke werkwoorden-> stam+ te(n)/de(n).
Je gebruikt de t als de uitgang eindigt op ’t ex-fokschaap.
Sterke werkwoorden-> maak deze langer om te weten of je d of t moet.
Importwerkwoorden
Gebruik ze het zelfde als Nederlandse werkwoorden. Alleen als je
spraakproblemen krijgt laat je de -e staan: breakdancet.
Overige werkwoordvormen
Gebiedende wijs:
Bij de gebiedende wijs gebruik je de stam: Kijk om je heen! Loop eens door!
Bijvoeglijk naamwoord:
Je schrijft deze zo makkelijk mogelijk: de verlote prijzen, de wandelende
mensen.
Onvoltooid en voltooid deelwoord:
Onvoltooid deelwoord-> eindigt op d(e). lachend, zingend, dansend.
Voltooid deelwoord-> bij een vorm van hebben, zijn of worden. Gebruik voor
de uitgang ’t ex-fokschaap. Heeft gehuurd, is verdwaald, etc.
, Hoofdletters en leestekens
Hoofdletters:
Je gebruikt een hoofdletter:
- Aan het begin van een zin (behalve bij een apostrof, dan krijgt het
tweede woord een hoofdletter).
- Bij persoonsnamen: als je geen voornaam/letter hebt krijgt het eerste
voorvoegsel ook een hoofdletter.
- Bij namen van verenigingen, instellingen, bedrijven en diensten.
- Bij aardrijkskundige namen, namen van merken, historische
gebeurtenissen, straten, hemellichamen, gebouwen, feestdagen en bij
titels van boeken en films.
Leestekens:
Punt:
- Aan het einde van een zin.
- Bij afkortingen, behalve als het initiaalwoorden of woorden zijn die je uit
kan spreken.
Vraagteken:
- Aan het einde van een letterlijk gestelde vraag.
Uitroepteken:
- Aan het einde van een bevel of uitroep.
Komma:
- Voor en na een bijstelling (lucky luuk, het bekende stripfiguur, is oud)
- Tussen twee persoonsvormen
- Tussen onderdelen van opsommingen
- Voor of na een aanspreking of een tussenwerpsel. (he, jij, kom eens
terug!)
- Voor een voegwoord waarmee je een bijzin begint.
Puntkomma:
- Tussen zinnen zie sterk met elkaar samenhangen. (het was erg koud; met
name gisteren.)
Spelling
Werkwoordspelling
Persoonsvorm
Tegenwoordige tijd:
Stam -> ik ervoor/-achter en jij/je erachter.
Stam+t-> in alle andere gevallen.
Verleden tijd:
Zwakke werkwoorden-> stam+ te(n)/de(n).
Je gebruikt de t als de uitgang eindigt op ’t ex-fokschaap.
Sterke werkwoorden-> maak deze langer om te weten of je d of t moet.
Importwerkwoorden
Gebruik ze het zelfde als Nederlandse werkwoorden. Alleen als je
spraakproblemen krijgt laat je de -e staan: breakdancet.
Overige werkwoordvormen
Gebiedende wijs:
Bij de gebiedende wijs gebruik je de stam: Kijk om je heen! Loop eens door!
Bijvoeglijk naamwoord:
Je schrijft deze zo makkelijk mogelijk: de verlote prijzen, de wandelende
mensen.
Onvoltooid en voltooid deelwoord:
Onvoltooid deelwoord-> eindigt op d(e). lachend, zingend, dansend.
Voltooid deelwoord-> bij een vorm van hebben, zijn of worden. Gebruik voor
de uitgang ’t ex-fokschaap. Heeft gehuurd, is verdwaald, etc.
, Hoofdletters en leestekens
Hoofdletters:
Je gebruikt een hoofdletter:
- Aan het begin van een zin (behalve bij een apostrof, dan krijgt het
tweede woord een hoofdletter).
- Bij persoonsnamen: als je geen voornaam/letter hebt krijgt het eerste
voorvoegsel ook een hoofdletter.
- Bij namen van verenigingen, instellingen, bedrijven en diensten.
- Bij aardrijkskundige namen, namen van merken, historische
gebeurtenissen, straten, hemellichamen, gebouwen, feestdagen en bij
titels van boeken en films.
Leestekens:
Punt:
- Aan het einde van een zin.
- Bij afkortingen, behalve als het initiaalwoorden of woorden zijn die je uit
kan spreken.
Vraagteken:
- Aan het einde van een letterlijk gestelde vraag.
Uitroepteken:
- Aan het einde van een bevel of uitroep.
Komma:
- Voor en na een bijstelling (lucky luuk, het bekende stripfiguur, is oud)
- Tussen twee persoonsvormen
- Tussen onderdelen van opsommingen
- Voor of na een aanspreking of een tussenwerpsel. (he, jij, kom eens
terug!)
- Voor een voegwoord waarmee je een bijzin begint.
Puntkomma:
- Tussen zinnen zie sterk met elkaar samenhangen. (het was erg koud; met
name gisteren.)