Paragraaf 1
Tijdschalen
➢ Er zijn verschillende soorten tijdschalen:
• Geologische tijdschaal: de 4,6 miljard jaren van de aarde verdeeld in
tijdperken, tijdvakken en perioden.
• Relatieve tijdschaal: vroeger was de volgorde van de tijdperken alleen
bekend, zonder de werkelijke ouderdom in jaren.
• Absolute tijdschaal: de ouderdom en de volgorde van de tijdperken is
bekend.
Opbouw van de aarde
➢ De binnenkant van de aarde is opgebouwd uit bolschillen: van binnen naar buiten
volgt:
• Kern: de binnenkern is vast, de buitenkern is vloeibaar.
• Mantel: de binnenmantel is vast, de buitenmantel is taai-vloeibaar.
• Aardkorst: de dikte van de aardkorst onder oceanen is 7 tot 10 km dik, en de
dikte van de aardkorst onder continenten is zo een 35 tot 40 km dik.
Twee sferen
➢ Tussen de aardkorst en het buitenste deel van de mantel bevindt zich de lithosfeer,
het vaste gedeelte van de aarde. De lithosfeer heeft een continentale en een
oceanische korst. De continenten bestaan uit graniet en de oceanische korst uit
basalt.
o Onder de lithosfeer bevindt zich de asthenosfeer. Deze is taai-vloeibaar.
o De lithosfeer beweegt over de asthenosfeer.
, Paragraaf 2
Catastrofe of niet?
➢ Vroeger gingen wetenschappers ervan uit dat aardrampen uit het niets kwamen.
Later maakte deze catastrofetheorie plaats voor het actualiteitsbeginsel. Dit houdt in
dat processen die je nu op aarde ziet er vroeger ook al waren.
Alfred Wegener
➢ In 1912 kwam wetenschapper Alfred Wegener op de theorie van de platentektoniek.
Hiervoor had hij een aantal aanwijzingen:
o Er liggen fossielen op continenten waar ze tegenwoordig niet meer te vinden zijn.
o Er waren sporen van oude ijskappen in Afrika, Zuid-Amerika, India en Australië
gevonden, terwijl er in dezelfde periode op andere plekken tropische moerassen
voorkwamen. De hele wereld heeft dus niet onder 1 ijskap gelegen, dus lagen die
continenten vroeger dus blijkbaar dichter bij de zuidpool.
o Er waren verschillende gesteenten bij de kust van Afrika en Zuid-Amerika afgebroken,
die precies op elkaar aansloten.
Pangea
➢ Volgens Wegener was er dus een oercontinent genaamd Pangea, waar alle
continenten aan elkaar zaten.
Onderzeese bergruggen
➢ Door dieptemetingen in de oceanen werd ontdekt dat de oceaanbodem niet vlak is,
maar bestaat uit ravijnen, greppels en spleten. De hoogste en langste bergketen
bevindt zich onder water.
o Als je bij het midden van de Atlantische Rug naar het oosten of naar het westen gaat,
wordt de aardkorst steeds iets ouder. Dit betekent dus dat de oceanische plaat
vanuit het midden groeit.
, Paragraaf 3
Convectiestromen
➢ De lithosfeer bestaat uit zeven grotere en kleinere platen die op de asthenosfeer
drijven. De motor van deze beweging is de inwendige warmte van de aarde.
o Convectiestromen: onder de lithosfeer komt er steeds heter magma omhoog, koelt
het weer af en zakt het weer naar beneden. Hierdoor bewegen de platen van de
lithosfeer.
Plaatbewegingen
➢ Platentektoniek: de processen waardoor platen ontstaan, bewegen en verdwijnen.
Soorten bewegingen
➢ De platen kunnen op drie manieren ten opzichte van elkaar bewegen:
o Divergentie: platen gaan van elkaar af <— —>
o Convergentie: platen gaan naar elkaar toe —> <—
o Transforme beweging: platen gaan langs elkaar heen |
Divergentie
➢ Bij een divergente plaatgrens bewegen platen van elkaar af.
o Deze beweging vindt plaats tussen twee oceanische platen.
o Wanneer twee oceanische platen van elkaar af bewegen, stroomt het magma
ertussen naar boven en stroomt het als lava naar twee zijden weg. Zo ontstaan de
mid-oceanische ruggen. Het vulkanisme dat hierbij ontstaat is niet explosief.
o Soms kunnen continentale platen scheuren. Langs die breuken kan magma naar
boven vloeien en kunnen vulkanen ontstaan.
Convergentie
➢ Twee platen bewegen naar elkaar toe. Hiervan zijn drie combinaties mogelijk:
o Oceanische plaat botst tegen continentale plaat: de oceanische plaat is zwaarder dan
de continentale plaat, dus duikt onder de continentale plaat en zinkt die in de
mantel. Dit heet subductie. Dit gebeurt in subductiezones. Deze herken je aan de
diepzeetroggen die met dit proces ontstaan.
o Er kunnnen ook zeer zware aardbevingen voorkomen bij subductiezones. Er bouwt
namelijk een enorme spanning op het wrijvingsvlak van de duikende en
bovenliggende plaat.
o Er kunnen ook twee oceanische platen tegen elkaar botsen. De oudste van de twee
platen duikt dan onder de jongere plaat, omdat de oudste plaat het meest afgekoeld
en dus zwaarder is. Hierdoor ontstaat een diepzeetrog met daarachter een
vulkanische eilandenboog.
o Ten slotte kunnen twee continentale platen tegen elkaar botsen. Allebei de platen
hebben dezelfde massa, waardoor geen een plaat onder de andere kan duiken.
Hierdoor ontstaan plooiingsgebergten: een kreukelzone van samengeperste
gesteenten en de vorming van gebergten van grote hoogte.
Tijdschalen
➢ Er zijn verschillende soorten tijdschalen:
• Geologische tijdschaal: de 4,6 miljard jaren van de aarde verdeeld in
tijdperken, tijdvakken en perioden.
• Relatieve tijdschaal: vroeger was de volgorde van de tijdperken alleen
bekend, zonder de werkelijke ouderdom in jaren.
• Absolute tijdschaal: de ouderdom en de volgorde van de tijdperken is
bekend.
Opbouw van de aarde
➢ De binnenkant van de aarde is opgebouwd uit bolschillen: van binnen naar buiten
volgt:
• Kern: de binnenkern is vast, de buitenkern is vloeibaar.
• Mantel: de binnenmantel is vast, de buitenmantel is taai-vloeibaar.
• Aardkorst: de dikte van de aardkorst onder oceanen is 7 tot 10 km dik, en de
dikte van de aardkorst onder continenten is zo een 35 tot 40 km dik.
Twee sferen
➢ Tussen de aardkorst en het buitenste deel van de mantel bevindt zich de lithosfeer,
het vaste gedeelte van de aarde. De lithosfeer heeft een continentale en een
oceanische korst. De continenten bestaan uit graniet en de oceanische korst uit
basalt.
o Onder de lithosfeer bevindt zich de asthenosfeer. Deze is taai-vloeibaar.
o De lithosfeer beweegt over de asthenosfeer.
, Paragraaf 2
Catastrofe of niet?
➢ Vroeger gingen wetenschappers ervan uit dat aardrampen uit het niets kwamen.
Later maakte deze catastrofetheorie plaats voor het actualiteitsbeginsel. Dit houdt in
dat processen die je nu op aarde ziet er vroeger ook al waren.
Alfred Wegener
➢ In 1912 kwam wetenschapper Alfred Wegener op de theorie van de platentektoniek.
Hiervoor had hij een aantal aanwijzingen:
o Er liggen fossielen op continenten waar ze tegenwoordig niet meer te vinden zijn.
o Er waren sporen van oude ijskappen in Afrika, Zuid-Amerika, India en Australië
gevonden, terwijl er in dezelfde periode op andere plekken tropische moerassen
voorkwamen. De hele wereld heeft dus niet onder 1 ijskap gelegen, dus lagen die
continenten vroeger dus blijkbaar dichter bij de zuidpool.
o Er waren verschillende gesteenten bij de kust van Afrika en Zuid-Amerika afgebroken,
die precies op elkaar aansloten.
Pangea
➢ Volgens Wegener was er dus een oercontinent genaamd Pangea, waar alle
continenten aan elkaar zaten.
Onderzeese bergruggen
➢ Door dieptemetingen in de oceanen werd ontdekt dat de oceaanbodem niet vlak is,
maar bestaat uit ravijnen, greppels en spleten. De hoogste en langste bergketen
bevindt zich onder water.
o Als je bij het midden van de Atlantische Rug naar het oosten of naar het westen gaat,
wordt de aardkorst steeds iets ouder. Dit betekent dus dat de oceanische plaat
vanuit het midden groeit.
, Paragraaf 3
Convectiestromen
➢ De lithosfeer bestaat uit zeven grotere en kleinere platen die op de asthenosfeer
drijven. De motor van deze beweging is de inwendige warmte van de aarde.
o Convectiestromen: onder de lithosfeer komt er steeds heter magma omhoog, koelt
het weer af en zakt het weer naar beneden. Hierdoor bewegen de platen van de
lithosfeer.
Plaatbewegingen
➢ Platentektoniek: de processen waardoor platen ontstaan, bewegen en verdwijnen.
Soorten bewegingen
➢ De platen kunnen op drie manieren ten opzichte van elkaar bewegen:
o Divergentie: platen gaan van elkaar af <— —>
o Convergentie: platen gaan naar elkaar toe —> <—
o Transforme beweging: platen gaan langs elkaar heen |
Divergentie
➢ Bij een divergente plaatgrens bewegen platen van elkaar af.
o Deze beweging vindt plaats tussen twee oceanische platen.
o Wanneer twee oceanische platen van elkaar af bewegen, stroomt het magma
ertussen naar boven en stroomt het als lava naar twee zijden weg. Zo ontstaan de
mid-oceanische ruggen. Het vulkanisme dat hierbij ontstaat is niet explosief.
o Soms kunnen continentale platen scheuren. Langs die breuken kan magma naar
boven vloeien en kunnen vulkanen ontstaan.
Convergentie
➢ Twee platen bewegen naar elkaar toe. Hiervan zijn drie combinaties mogelijk:
o Oceanische plaat botst tegen continentale plaat: de oceanische plaat is zwaarder dan
de continentale plaat, dus duikt onder de continentale plaat en zinkt die in de
mantel. Dit heet subductie. Dit gebeurt in subductiezones. Deze herken je aan de
diepzeetroggen die met dit proces ontstaan.
o Er kunnnen ook zeer zware aardbevingen voorkomen bij subductiezones. Er bouwt
namelijk een enorme spanning op het wrijvingsvlak van de duikende en
bovenliggende plaat.
o Er kunnen ook twee oceanische platen tegen elkaar botsen. De oudste van de twee
platen duikt dan onder de jongere plaat, omdat de oudste plaat het meest afgekoeld
en dus zwaarder is. Hierdoor ontstaat een diepzeetrog met daarachter een
vulkanische eilandenboog.
o Ten slotte kunnen twee continentale platen tegen elkaar botsen. Allebei de platen
hebben dezelfde massa, waardoor geen een plaat onder de andere kan duiken.
Hierdoor ontstaan plooiingsgebergten: een kreukelzone van samengeperste
gesteenten en de vorming van gebergten van grote hoogte.