Natuurkunde samenvatting:
Licht
Je ogen nemen licht waar. Van alles wat je ziet, moet dus licht komen. Er zijn twee soorten
verlichting:
Primair licht is afkomstig van een lichtbron. Voorbeelden van primair licht zijn de
zon, een lamp of vuur.
Secundair licht is afkomstig van een voorwerp dat licht reflecteert. Voorbeelden van
secundair licht zijn de maan en een reflector. Maar ook een tafel in de zon, een huis
op een bewolkte dag, een kamer bij een brandende kaars, een boek bij een
leeslampje, enzovoort.
Licht heeft een aantal eigenschappen. Drie belangrijke eigenschappen zijn:
1. Licht beweegt in een rechte lijn van de bron af met 300 000 km/s;
2. Kleur: je hersenen kennen aan verschillende soorten licht verschillende kleuren toe;
3. De stralengang is omkeerbaar: als een lichtstraal van A naar B gaat, is er ook een
lichtstraal mogelijk die precies de omgekeerde weg volgt van B naar A.
Voor lichtwaarneming heb je een bron en een ontvanger nodig. Bijvoorbeeld een vlam (1) en
een oog (3). Maar licht heeft geen overdrager nodig: licht van de zon gaat bijvoorbeeld via
het vacuüm van het heelal in een rechte lijn naar de aarde.
Licht dat op een oppervlak valt, kan drie dingen doen:
1. Het oppervlak absorbeert het licht en zet lichtenergie om in warmte-energie. Dit
gebeurt bijvoorbeeld bij licht dat op zwart papier valt.
2. Het oppervlak laat het licht door. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij glas.
3. Het licht weerkaatst op het oppervlak. Dat weerkaatsen kan op twee manieren.
o Licht kan diffuus weerkaatsen. Het licht weerkaatst dan alle kanten op, zie
figuur 6.2a. Op papier- en op textieloppervlakken weerkaatst licht
bijvoorbeeld diffuus.
o Licht kan spiegelend weerkaatsen, licht weerkaatst dan één kant op, zie figuur
6.2b. Spiegelend weerkaatsen gebeurt bijvoorbeeld bij een spiegel of bij een
glad wateroppervlak.
, Bij de meeste oppervlakken kunnen hierboven genoemde zaken door elkaar voorkomen.
Voor de huid van een vrouw bijvoorbeeld:
1. Ze absorbeert een deel van het licht. De huid absorbeert sommige kleuren wel en
andere niet, waardoor ze kleur krijgt.
2. Een deel van het licht weerkaatst ze spiegelend, daarom zie je er spitslichtjes op.
Spitslichtjes zijn glinsteringen. Het zijn weerspiegelingen van de lichtbron.
3. Ze weerkaatst een deel van het licht diffuus, daarom kun je de huid vanaf alle kanten
zien.
Beeldvorming bij een spiegel
Als je in een spiegel kijkt, zie je de wereld om je heen terug in die spiegel. Je kunt op twee
manieren bij een spiegel construeren.
1. Je kunt construeren met spiegelbeelden.
2. Je kunt construeren met de spiegelwet, zie figuur 6.2b. Wat voor de spiegel staat,
noem je het voorwerp, de weerspiegeling van het voorwerp noem je het beeld of het
spiegelbeeld.
Licht
Je ogen nemen licht waar. Van alles wat je ziet, moet dus licht komen. Er zijn twee soorten
verlichting:
Primair licht is afkomstig van een lichtbron. Voorbeelden van primair licht zijn de
zon, een lamp of vuur.
Secundair licht is afkomstig van een voorwerp dat licht reflecteert. Voorbeelden van
secundair licht zijn de maan en een reflector. Maar ook een tafel in de zon, een huis
op een bewolkte dag, een kamer bij een brandende kaars, een boek bij een
leeslampje, enzovoort.
Licht heeft een aantal eigenschappen. Drie belangrijke eigenschappen zijn:
1. Licht beweegt in een rechte lijn van de bron af met 300 000 km/s;
2. Kleur: je hersenen kennen aan verschillende soorten licht verschillende kleuren toe;
3. De stralengang is omkeerbaar: als een lichtstraal van A naar B gaat, is er ook een
lichtstraal mogelijk die precies de omgekeerde weg volgt van B naar A.
Voor lichtwaarneming heb je een bron en een ontvanger nodig. Bijvoorbeeld een vlam (1) en
een oog (3). Maar licht heeft geen overdrager nodig: licht van de zon gaat bijvoorbeeld via
het vacuüm van het heelal in een rechte lijn naar de aarde.
Licht dat op een oppervlak valt, kan drie dingen doen:
1. Het oppervlak absorbeert het licht en zet lichtenergie om in warmte-energie. Dit
gebeurt bijvoorbeeld bij licht dat op zwart papier valt.
2. Het oppervlak laat het licht door. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij glas.
3. Het licht weerkaatst op het oppervlak. Dat weerkaatsen kan op twee manieren.
o Licht kan diffuus weerkaatsen. Het licht weerkaatst dan alle kanten op, zie
figuur 6.2a. Op papier- en op textieloppervlakken weerkaatst licht
bijvoorbeeld diffuus.
o Licht kan spiegelend weerkaatsen, licht weerkaatst dan één kant op, zie figuur
6.2b. Spiegelend weerkaatsen gebeurt bijvoorbeeld bij een spiegel of bij een
glad wateroppervlak.
, Bij de meeste oppervlakken kunnen hierboven genoemde zaken door elkaar voorkomen.
Voor de huid van een vrouw bijvoorbeeld:
1. Ze absorbeert een deel van het licht. De huid absorbeert sommige kleuren wel en
andere niet, waardoor ze kleur krijgt.
2. Een deel van het licht weerkaatst ze spiegelend, daarom zie je er spitslichtjes op.
Spitslichtjes zijn glinsteringen. Het zijn weerspiegelingen van de lichtbron.
3. Ze weerkaatst een deel van het licht diffuus, daarom kun je de huid vanaf alle kanten
zien.
Beeldvorming bij een spiegel
Als je in een spiegel kijkt, zie je de wereld om je heen terug in die spiegel. Je kunt op twee
manieren bij een spiegel construeren.
1. Je kunt construeren met spiegelbeelden.
2. Je kunt construeren met de spiegelwet, zie figuur 6.2b. Wat voor de spiegel staat,
noem je het voorwerp, de weerspiegeling van het voorwerp noem je het beeld of het
spiegelbeeld.