Verpleegtechnisch handelen
Werkgroep 4.2 en 5.1
- De student kan benoemen hoe de ademhaling geobserveerd moet worden.
- De student kan benoemen wat het doel van het observeren van de ademhaling is.
- De student kan benoemen welke aspecten je van de ademhaling controleert en
waarom.
- De student kan benoemen hoe je ademhaling juist kunt interpreteren.
- De student kan benoemen welke waarden voor de saturatie normaal en welke
afwijkend zijn.
- De student kan de werkwijze van het bloeddruk meten volgens de auscultatoire
methode (handmatige bloeddruk met stethoscoop) en automatische bloeddrukmeter
benoemen.
- De student kan benoemen wat er gemeten wordt bij het bepalen van de bloeddruk.
- De student kan benoemen wat de observatiepunten bij het meten van de bloeddruk
zijn.
- De student kan benoemen op welke wijze de geobserveerde bloeddruk wordt
gerapporteerd.
- De student kan benoemen welke aspecten en werkwijze zorgen voor een
betrouwbare uitslag van de bloeddruk, voor zowel de auscultatoire methode als de
automatische bloeddrukmeter.
- De student kan de werkwijze bij het controleren van de hartslag aan de arterie
radialis en de arterie carotis benoemen.
- De student kan vijf observatiepunten voor het controleren van de hartslag benoemen.
- De student kan interne en externe factoren benoemen die op de hartslag van invloed
zijn.
- De student kan benoemen wat een normale polsfrequentie voor volwassenen,
pasgeborenen, kinderen en ouderen is.
- De student kan de principes van het controleren van de hartslag benoemen.
- De student kan benoemen op welke plaatsen de hartslag bij een zorgvrager gemeten
kan worden.
- De student kan de werkwijze van verschillende soorten thermometers benoemen.
- De student kan de principes van het bepalen van de lichaamstemperatuur benoemen.
- De student kan benoemen op welke plaatsen de lichaamstemperatuur gemeten kan
worden.
- De student kan benoemen welke meetmethoden betrouwbaar zijn en welke minder.
- De student kan benoemen met welke factoren rekening gehouden dient te worden bij
het interpreteren van de gemeten lichaamstemperatuur.
- De student kan benoemen hoe je het bewustzijn controleert.
- De student kan benoemen hoe je de pupilcontrole uitvoert.
- De student kan benoemen wat een AVPU-score inhoudt en hoe je een pijnprikkel
toedient.
- De student kan benoemen wat een Glascow Coma Scale inhoudt.
- De student kan benoemen wat een Early Warning Score inhoudt.
Ademhaling:
- Normale ademhaling (eupneu).
- Ademstilstand (apneu) Wanneer de ademhaling stopt.
- Diepere ademhaling (hyperpneu) Bij inspanning.
- Sterk versnelde ademhaling (tachypneu) Bij koorts, longontsteking, hartafwijking,
etc.
- Hyperventilatie Versneld en te diep inademen.
- Cheyne-Stokes-ademhaling (stervensfase) Afwisselend heel snel en diep en
daarna steeds minder totdat een pauze intreedt (bij hartfalen, overdosis medicijnen,
etc.).
- Kussmaul-ademhaling Treedt op bij verzuring van het bloed (acidose).