EEG meting
Een EEG kan gebruikt worden om de hersenactiviteit te meten tijdens een operatie.
Synaptische overdracht
Synapsen zijn de basis voor een EEG signaal. Een synaps is waar twee zenuwcellen elkaar tegemoet komen.
Twee zenuwcellen kunnen met elkaar communiceren, informatie overdragen en het doorgeven. Het is de
basis van alles wat wij doen en denken.
Een zenuwcel bestaat uit een cellichaam, met een celkern. Ook heeft de cel dendrieten, deze halen
informatie binnen. Ook heeft de cel een axon, deze geeft informatie door. Om de axon heen kan een
myelineschede zitten om het signaal sneller door te geven. Zenuwcellen kunnen op twee manieren met
elkaar communiceren:
1. Axondrendritisch: De axon maakt verbinding met een andere dendriet. Axodendritische synapsen
zijn exciterende synapsen wat zorgt voor actie, en dat ze het signaal doorgeven.
2. Axosomatisch: De axon maakt verbinding met een cellichaam. Deze zijn inhiberend en geeft het
signaal door, maar maakt het moeilijker om het signaal door te geven; dus remt de prikkel.
Depolarisatie synaps
Een zenuwcel in rust heeft een rustpotentiaal en elektrische spanning op het celmembraan. Er is meer
negatieve lading binnen, dan buiten de cel. Buiten de cel zijn er meer positieve deeltjes. Dit wordt in stand
gehouden door de natrium-kalium-pomp. De deeltjes (plus en min) trekken naar elkaar toe zodat alles
neutraal wordt. De pomp zorgt ervoor dat de positieve deeltjes naar buiten geduwd worden, van binnen af.
Depolarisatie gebeurt als er actie plaatsvindt. De binnenkant wordt dan minder negatief en de buitenkant
wordt dan minder positief. Dit verplaatst zich langs de axon en geeft dit door aan de andere zenuwcellen.
Depolarisatie van het axon is een trigger voor de blaasjes, neurotransmitters zorgen ervoor dat ze naar het
uiteinde gaan, naar de synapsspleet. Transmitters gaan zich binden aan de receptoren van de tweede
zenuwcel. Neurotransmitter maakt dus een binding waardoor natrium de cel in kan, zonder
neurotransmitters gaat dit niet. Dan vindt depolarisatie plaats in de tweede cel.
Dit proces gebeurt bij exciterende synapsen, van axon naar dendriet. De depolarisatie van de ene cel zorgt
voor de depolarisatie van de andere cel. Instroom van natrium zorgt voor meer positieve ionen binnen in de
cel en minder negatieve ionen buiten de cel.
Hyperpolarisatie is selectievere opening van de kanalen. Kalium gaat de cel uit en chloor de cel in. Positief
verlaat de cel en negatief komt de cel binnen. Het is dan moeilijker om een depolarisatie te krijgen.
Veldpotentialen zijn spanningsverschillen buiten de cel.
Oorsprong EEG
Cellen worden gedepolariseerd. Dat betekent dat de binnenkant
van alle cellen positiever worden. De rustende cellen hebben een
negatieve geladen binnenkant. Depolarisatie bereikt de axon en
bereikt de rustende cellen en die beginnen dan met depolariseren.
En de cellen die als eerste gedepolariseerd hebben gaan in rust
De amplitude geeft aan hoe groot het signaal is. Hoe actiever de cellen, hoe kleiner het signaal is.
Een EEG kan gebruikt worden om de hersenactiviteit te meten tijdens een operatie.
Synaptische overdracht
Synapsen zijn de basis voor een EEG signaal. Een synaps is waar twee zenuwcellen elkaar tegemoet komen.
Twee zenuwcellen kunnen met elkaar communiceren, informatie overdragen en het doorgeven. Het is de
basis van alles wat wij doen en denken.
Een zenuwcel bestaat uit een cellichaam, met een celkern. Ook heeft de cel dendrieten, deze halen
informatie binnen. Ook heeft de cel een axon, deze geeft informatie door. Om de axon heen kan een
myelineschede zitten om het signaal sneller door te geven. Zenuwcellen kunnen op twee manieren met
elkaar communiceren:
1. Axondrendritisch: De axon maakt verbinding met een andere dendriet. Axodendritische synapsen
zijn exciterende synapsen wat zorgt voor actie, en dat ze het signaal doorgeven.
2. Axosomatisch: De axon maakt verbinding met een cellichaam. Deze zijn inhiberend en geeft het
signaal door, maar maakt het moeilijker om het signaal door te geven; dus remt de prikkel.
Depolarisatie synaps
Een zenuwcel in rust heeft een rustpotentiaal en elektrische spanning op het celmembraan. Er is meer
negatieve lading binnen, dan buiten de cel. Buiten de cel zijn er meer positieve deeltjes. Dit wordt in stand
gehouden door de natrium-kalium-pomp. De deeltjes (plus en min) trekken naar elkaar toe zodat alles
neutraal wordt. De pomp zorgt ervoor dat de positieve deeltjes naar buiten geduwd worden, van binnen af.
Depolarisatie gebeurt als er actie plaatsvindt. De binnenkant wordt dan minder negatief en de buitenkant
wordt dan minder positief. Dit verplaatst zich langs de axon en geeft dit door aan de andere zenuwcellen.
Depolarisatie van het axon is een trigger voor de blaasjes, neurotransmitters zorgen ervoor dat ze naar het
uiteinde gaan, naar de synapsspleet. Transmitters gaan zich binden aan de receptoren van de tweede
zenuwcel. Neurotransmitter maakt dus een binding waardoor natrium de cel in kan, zonder
neurotransmitters gaat dit niet. Dan vindt depolarisatie plaats in de tweede cel.
Dit proces gebeurt bij exciterende synapsen, van axon naar dendriet. De depolarisatie van de ene cel zorgt
voor de depolarisatie van de andere cel. Instroom van natrium zorgt voor meer positieve ionen binnen in de
cel en minder negatieve ionen buiten de cel.
Hyperpolarisatie is selectievere opening van de kanalen. Kalium gaat de cel uit en chloor de cel in. Positief
verlaat de cel en negatief komt de cel binnen. Het is dan moeilijker om een depolarisatie te krijgen.
Veldpotentialen zijn spanningsverschillen buiten de cel.
Oorsprong EEG
Cellen worden gedepolariseerd. Dat betekent dat de binnenkant
van alle cellen positiever worden. De rustende cellen hebben een
negatieve geladen binnenkant. Depolarisatie bereikt de axon en
bereikt de rustende cellen en die beginnen dan met depolariseren.
En de cellen die als eerste gedepolariseerd hebben gaan in rust
De amplitude geeft aan hoe groot het signaal is. Hoe actiever de cellen, hoe kleiner het signaal is.