De relatie tussen neuroticisme en variabiliteit in reactietijden: een onderzoek naar de
mental noise hypothese
Zweers, M.E. (6568041)
Werkgroep 2
Docent: Ivo Stronks
Cursus: Psychologie als Wetenschap
Samenvatting
Neuroticisme is een nadelige persoonlijkheidstrek die samengaat met instabiliteit in gedrag en
emotie. Volgens sommige studies bestaat deze instabiliteit ook op cognitief niveau. Dit zou
zich uiten in een hoge variabiliteit (SD) op reactietijd-taken, omdat dit de cognitieve
verwerkingsefficiëntie zou weerspiegelen. Robinson & Tamir (2005) vonden een positief
verband tussen neuroticisme en SD in RT-taken, waarna de mental noise hypothese ontstond.
Deze hypothese stelt dat mentale ruis zorgt voor variabiliteit in basale cognitieve processen.
Hier is vervolgens meer onderzoek naar gedaan, maar de bevindingen waren niet altijd in
overeenstemming met de mental noise hypothese. Dit onderzoek is daarom een replicatie van
Robinson & Tamir (2005). De resultaten lieten geen significante correlaties zien tussen RTSD
en neuroticisme. Om succesvolle interventies te ontwikkelen tegen de negatieve gevolgen van
neuroticisme, is dus uitgebreider onderzoek nodig naar de volledige werking ervan.
Sleutelwoorden: neuroticisme | reactietijd | variabiliteit | cognitie | mental noise
, Inleiding
De persoonlijkheidstrek neuroticisme maakt onderdeel uit van de Big Five-
persoonlijkheidstheorie zoals opgesteld door Goldberg (1990). Neuroticisme kan gedefinieerd
worden als de aanleg om negatieve emoties te ervaren en het niet effectief kunnen reguleren
van gedrag (McCrae, 1990). Hoewel voor de meeste persoonlijkheidstrekken op de Big Five-
dimensie voor beide uiterste polen voordelen te bedenken zijn, lijkt dat voor de trek
neuroticisme niet het geval. Mensen die hoog scoren op neuroticisme ervaren meer
negativiteit dan mensen met een gemiddelde score (Costa, Somerfield & McCrae, 1986).
Dit is gerelateerd aan bevindingen die aantonen dat mensen hoog in neuroticisme vatbaarder
zijn voor mentale en fysieke ziekten, wat neuroticisme voorspeller maakt voor kwaliteit en
duur van leven (Lahey, 2009). Onderzoek van Brezo, Paris & Turecki (2006) wijst bovendien
uit dat neuroticisme een van de risico-persoonlijkheidskenmerken is voor suïcidaal gedrag.
Recent onderzoek van Barlow, Paris & Turecki (2014) stelt daarnaast dat het waarschijnlijk is
dat vroege omgevingsfactoren de ontwikkeling van neuroticisme aanzienlijk beïnvloeden. Dit
suggereert het bestaan van mogelijkheden tot interventie op jonge leeftijd om de ontwikkeling
van neuroticisme te voorkomen. Het is daarom van belang om de aard en oorsprong van
neuroticisme en het functioneren ervan volledig te begrijpen. Met die kennis kunnen
kenmerken van de ontwikkeling van neuroticisme herkend worden en de negatieve gevolgen
worden verholpen. Huidig onderzoek test daarom een van de mogelijke cognitieve oorzaken
voor de uiting van neuroticisme.
Bij het meten van neuroticisme zijn de uiteinden op de schaal vaak ‘stabiliteit’ en
‘instabiliteit’ (Eysenck, 1947; Catell, 1965). Hiermee worden de reactieprocessen op
stressoren bedoeld die de emotieregulatie beïnvloeden. Instabiliteit gaat daarbij samen met de
ervaring van negatieve emotionaliteit, terwijl stabiliteit gerelateerd wordt aan weinig stress en
kalmte (Goldberg, 1990). Een hoge score op neuroticisme houdt dus een hoge emotionele
mental noise hypothese
Zweers, M.E. (6568041)
Werkgroep 2
Docent: Ivo Stronks
Cursus: Psychologie als Wetenschap
Samenvatting
Neuroticisme is een nadelige persoonlijkheidstrek die samengaat met instabiliteit in gedrag en
emotie. Volgens sommige studies bestaat deze instabiliteit ook op cognitief niveau. Dit zou
zich uiten in een hoge variabiliteit (SD) op reactietijd-taken, omdat dit de cognitieve
verwerkingsefficiëntie zou weerspiegelen. Robinson & Tamir (2005) vonden een positief
verband tussen neuroticisme en SD in RT-taken, waarna de mental noise hypothese ontstond.
Deze hypothese stelt dat mentale ruis zorgt voor variabiliteit in basale cognitieve processen.
Hier is vervolgens meer onderzoek naar gedaan, maar de bevindingen waren niet altijd in
overeenstemming met de mental noise hypothese. Dit onderzoek is daarom een replicatie van
Robinson & Tamir (2005). De resultaten lieten geen significante correlaties zien tussen RTSD
en neuroticisme. Om succesvolle interventies te ontwikkelen tegen de negatieve gevolgen van
neuroticisme, is dus uitgebreider onderzoek nodig naar de volledige werking ervan.
Sleutelwoorden: neuroticisme | reactietijd | variabiliteit | cognitie | mental noise
, Inleiding
De persoonlijkheidstrek neuroticisme maakt onderdeel uit van de Big Five-
persoonlijkheidstheorie zoals opgesteld door Goldberg (1990). Neuroticisme kan gedefinieerd
worden als de aanleg om negatieve emoties te ervaren en het niet effectief kunnen reguleren
van gedrag (McCrae, 1990). Hoewel voor de meeste persoonlijkheidstrekken op de Big Five-
dimensie voor beide uiterste polen voordelen te bedenken zijn, lijkt dat voor de trek
neuroticisme niet het geval. Mensen die hoog scoren op neuroticisme ervaren meer
negativiteit dan mensen met een gemiddelde score (Costa, Somerfield & McCrae, 1986).
Dit is gerelateerd aan bevindingen die aantonen dat mensen hoog in neuroticisme vatbaarder
zijn voor mentale en fysieke ziekten, wat neuroticisme voorspeller maakt voor kwaliteit en
duur van leven (Lahey, 2009). Onderzoek van Brezo, Paris & Turecki (2006) wijst bovendien
uit dat neuroticisme een van de risico-persoonlijkheidskenmerken is voor suïcidaal gedrag.
Recent onderzoek van Barlow, Paris & Turecki (2014) stelt daarnaast dat het waarschijnlijk is
dat vroege omgevingsfactoren de ontwikkeling van neuroticisme aanzienlijk beïnvloeden. Dit
suggereert het bestaan van mogelijkheden tot interventie op jonge leeftijd om de ontwikkeling
van neuroticisme te voorkomen. Het is daarom van belang om de aard en oorsprong van
neuroticisme en het functioneren ervan volledig te begrijpen. Met die kennis kunnen
kenmerken van de ontwikkeling van neuroticisme herkend worden en de negatieve gevolgen
worden verholpen. Huidig onderzoek test daarom een van de mogelijke cognitieve oorzaken
voor de uiting van neuroticisme.
Bij het meten van neuroticisme zijn de uiteinden op de schaal vaak ‘stabiliteit’ en
‘instabiliteit’ (Eysenck, 1947; Catell, 1965). Hiermee worden de reactieprocessen op
stressoren bedoeld die de emotieregulatie beïnvloeden. Instabiliteit gaat daarbij samen met de
ervaring van negatieve emotionaliteit, terwijl stabiliteit gerelateerd wordt aan weinig stress en
kalmte (Goldberg, 1990). Een hoge score op neuroticisme houdt dus een hoge emotionele