Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

Biologie samenvatting eindexamenstof (4, 5, 6) VWO/Gymnasium

Beoordeling
-
Verkocht
-
Pagina's
29
Geüpload op
21-05-2022
Geschreven in
2020/2021

Goeie samenvatting van alle examenstof op het VWO/Gymnasium (klas 4, 5, en 6). Het is beknopt en duidelijk opgeschreven en er staan plaatjes, diagrammen en verwijzingen naar BINAS bij om het leren zo makkelijk mogelijk te maken.

Niveau
Vak

Voorbeeld van de inhoud

H1: Gedrag
- gedrag = alles wat dieren of mensen doen of laten (planten niet)
- prikkel = invloed waar je op reageert
- inwendige prikkel = prikkels van binnenuit (hormonen)
- uitwendige prikkel = prikkels van buitenaf (geluid)
- motiverende factoren = inwendige- en uitwendige prikkels samen
- drempelwaarde = de hoogte van de motivatie die nodig is om tot bepaald gedrag over te
gaan
- gedragseenheid = verschillende aparte handelingen
- gedragsketen = vaste volgorde van gedragseenheden
- gedragssysteem = een aantal samenhangende gedragsketens
- aantal gedragssystemen vormen samen het gedrag
- input: welke prikkel een dier ontvangt, en output: welk gedrag er vervolgens optreedt
- antropomorf = subjectieve benadering, emotioneel geladen en menselijke interpretaties van
gedrag
- ethologie = tak van de wetenschap die onderzoek doet naar diergedrag
- sleutelprikkel = een prikkel die elke keer dezelfde reactie oproept, zonder dat het je is
aangeleerd → aangeboren gedrag
- supernormale prikkel = prikkel die een sterkere reactie geeft dan de ‘normale’ sleutelprikkel
- gevoelige periode = de periode na de geboorte van een dier waarin het makkelijk te
beïnvloeden is
- inprenting = een vorm van leren die beperkt is tot een korte gevoelige periode →
nadoen van een ouder
- Elke diersoort heeft zijn eigen ‘taal’ die bestaat uit prikkels waarmee dieren het gedrag van
soortgenoten willen beïnvloeden : signalen
- rituelen : bestaan uit een serie gedragseenheden die van tevoren vaststaan
- berust op het geven van signalen die als sleutelprikkels dienen
- balts = ritueel gedrag dat leidt tot paringsgedrag
- conflictgedrag : treedt op bij een innerlijk conflict tussen twee gedragssystemen:
- overspronggedrag = gedrag dat niet bij de situatie past
- ambivalent gedrag = gedrag dat elementen van twee tegengestelde
gedragssystemen afwisselt
- omgericht gedrag = bijvoorbeeld agressiviteit uiten op iets anders dan waarop je
werkelijk boos bent
- aangeboren : het gedrag is bij de geboorte al aanwezig
- aangeleerd: het ontwikkelt zich in een leerproces, niet aangeboren
1. gewenning: een bepaalde reactie op een prikkel wordt afgeleerd na herhaling van
die prikkel (= habituatie)
2. inprenting: alleen tijdens gevoelige periode
3. imitatie: nabootsing, leren door het gedrag van soortgenoten na te doen
4. trial-and-error: proefondervindelijk leren, ofwel leren uit ervaring
5. conditionering: een bepaald gedrag wordt geleerd door ‘beloning’ of ‘straf’
- dresseren = africhten van een dier voor een bepaalde kunst

, - klassiek conditioneren: er worden verbanden aangeleerd tussen gedrag en
prikkels die daaraan voorafgaan = een geconditioneerde reflex → opstaan
wanneer de bel gaat
- operant conditioneren/modern conditioneren: het leren van verbanden
tussen (vrijwillig) gedrag en de resultaten die daarop volgen (beloning of
straf) → rat in skinner-box
6. inzicht: in een onbekende situatie wordt de oplossing van een probleem gevonden
door verschillende vroeger opgedane ervaringen te combineren
- associatief leren = leren een toevallige prikkel te koppelen aan een andere prikkel →
bijvoorbeeld klassieke conditionering
- cultuur = overdracht van regels, normen, waarden, activiteiten en gewoonten van ouders op
kinderen → imiteren
- inlevingsvermogen stelt mensen en dieren in staat om samen te werken en sociaal gedrag
te vertonen

H2: Soorten en populaties
- soort = individuen met min of meer hetzelfde uiterlijk die vruchtbare nakomelingen kunnen
krijgen
- binominale naamgeving = wetenschappelijke naam, geslachtsnaam + soortaanduiding
- taxonomie = de wetenschappelijke indeling van soorten:
organismen → soorten → geslachten → families → orden → klassen → rijken
- DNA-onderzoek → betrouwbare indeling van soorten
- hybride: levensvatbare nakomelingen van verschillende soorten, vaak onvruchtbaar
- populatie = organismen van dezelfde soort in een bepaald gebied
- beperkende factor: zorgt ervoor dat een soort niet optimaal kan leven/voortplanten
- versnippering = het opdelen van het leefgebied in kleine stukken → soortgenoten
komen moeilijker met elkaar in contact → minder uitwisseling genetisch materiaal
→ populatie vatbaar voor ziektes, verzwakt
- ontsnippering = versnipperde gebieden met elkaar verbinden
- territorium = leefgebied van één dier
- habitat = leefomgeving van plant en dier met specifieke biotische en abiotische factoren die
voor een soort belangrijk zijn, natuurlijke leefomgeving van een soort
- biotische factoren : levende omgeving (organismen, symbiose, etc.)
- abiotische factoren: levenloze omgeving (wind, temperatuur, etc.)
- optimum = de waarde van de milieufactor waarbij een soort het best gedijt
- zowel biotische als abiotische factoren
- tolerantiegrenzen = minimum- en een maximumwaarde voor abiotische factoren → voorbij
deze grenzen gaat een organisme dood
- niche = de invloed die een soort heeft op het ecosysteem, gebruik van biotische en
abiotische factoren door een soort → kan variëren van seizoen tot seizoen
- predatie = het vangen en eten van dieren
- voedselketens bestaan uit de opeenvolgende organismen die elkaar eten, waarbij
organische stoffen met energie van het ene organisme naar het andere gaan; de reeks
energiestappen vanaf de plant tot het laatste organisme dat energie gebruikt
- voedselweb = het geheel van onderling verbonden voedselketens in een gebied

, - accumulatie: de concentratie gifstoffen in een organisme wordt steeds groter →
voedselketen
- symbiose: parasitisme: één soort heeft er nadeel van +/-
mutualisme: beide soorten hebben voordeel +/+
commensalisme: relatie is voor één soort neutraal +/o
- epifytisme : planten die op andere planten groeien

H3: Ecosystemen
- ecosysteem = afgebakend gebied met organismen en biotische en abiotische relaties, een
complexe zelfstandige eenheid
- Dankzij kringlopen heeft een ecosysteem nauwelijks uitwisseling van stoffen met
andere ecosystemen
- producten = organismen die organische stoffen maken, planten, eerste niveau voedselketen
- consumenten = organismen die organische stoffen uit andere organismen halen, dieren
- reducenten = bacteriën en schimmels, laatste niveau voedselketen, verwerken de
organische stoffen (van dode resten) tot anorganische stoffen
- draagkracht = de maximale populatiegrootte die een gebied kan onderhouden
- populatiedynamiek : aantallen nemen toe of juist af → beïnvloedt ecosystemen
- verstoringen = blijvende, snel optredende veranderingen in ecosystemen
- in verstoorde ecosystemen treden vaak plagen op, doordat bijvoorbeeld predatoren
verdwijnen
- biomassa = het totaalgewicht van organismen
- drooggewicht = versgewicht - gewicht water
- voedselpiramide : oppervlakte staaf is een maat voor de biomassa (of energie per niveau)
- Het aantal trofische niveaus is beperkt door het verdwijnen van energie
- heterotrofe organismen = organismen die via hun voedsel organische stoffen opnemen die
ze gebruiken als brand- en bouwstof
- energiestroomschema : breedte van bundels geeft hoeveelheid energie aan
- autotrofe organismen = organismen die in staat zijn om uit energiearme anorganische
stoffen energierijke organische stoffen te maken, leveren bouw- en brandstoffen aan
ecosysteem
- primaire productie = de hoeveelheid (g/opp./jaar of g/volume/jaar) organische stoffen die
producenten maken
- Eutrofiëring (= verrijking van water met
voedingsstoffen) treedt op door een grote
aanvoer van meststoffen voor algen. Door extra
toevoer kunnen algenpopulaties snel groeien:
algenbloei (= explosieve toename van de
biomassa van fytoplankton en andere algen)
- humuslaag = rijke voedingsbodem voor
reducenten, gevormd door uitwerpselen en half
verteerd organisch materiaal → reducenten recyclen de mineralen, waardoor ze weer
opneembaar zijn voor planten → kringloop
- composteren = het gecontroleerd afbreken van organische stoffen
- aeroob: met zuurstof, anaeroob: zonder zuurstof ( → rotting)

Gekoppeld boek

Geschreven voor

Instelling
Middelbare school
Niveau
Vak
School jaar
6

Documentinformatie

Heel boek samengevat?
Nee
Wat is er van het boek samengevat?
Onbekend
Geüpload op
21 mei 2022
Aantal pagina's
29
Geschreven in
2020/2021
Type
SAMENVATTING

Onderwerpen

$6.58
Krijg toegang tot het volledige document:

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Maak kennis met de verkoper
Seller avatar
marleenmelisse
1.0
(1)

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
marleenmelisse Universiteit Utrecht
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
9
Lid sinds
4 jaar
Aantal volgers
9
Documenten
10
Laatst verkocht
2 jaar geleden

1.0

1 beoordelingen

5
0
4
0
3
0
2
0
1
1

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen