Hoorcollege sociologie 1
Selectieve waarneming
De wijze waarop wij dan ook naar elkaar (leren) kijken en handelen is dus niet te vangen
in een vaststaand construct. Wij allen kijken vanuit een verschillend referentiekader naar
onze sociale omgeving met als gevolg dat onze waarneming in grote mate selectief en
subjectief van aard is.
Doel van interactie en communicatie
Mensen moeten door interpretatie en onderhandeling proberen vast te stellen wat er aan
de hand is, met wie ze te doen hebben en wat hen te doen staat.
Interactie is de wederzijdse invloed die individuen, die in contact met elkaar staan, op
elkaars handelen uitoefenen.
1. Frequentie van de interactie
2. Regelmaat van de interactie
3. Uitgebreidheid van de interactie
4. Coordinatie van de interactie
5. Eenzijdigheid in de interactie
6. Directheid in de interactie
Sociaal handelen
Rationeel handelen: (bewust handelen)
1) Doelrationeel handelen Bewust inzetten, beïnvloeden van de ander terwijl je
door hebt waar je naar toe wilt gaan.
2) Waarderationeel handelen Dit vind ik belangrijk in mijn leven. Het is geen doel.
Niet-rationeel handelen:
3) Affectueel handelen gevoel
4) Traditioneel handelen waarom zetten we met z’n allen een kerstboom op? Het is
traditie.
Sociale positie
De plaats die iemand inneemt in de maatschappij of in een groep in verhouding tot andere
posities.
Toegewezen posities (ascribed) ‘Willem-alexander wordt geboren en is nu
koning, het enige dat hij heeft moeten doen is op een bepaald moment uit de
baarmoeder te komen’.
Verworven posities (achieved) Diegene heeft er hard voor moeten werken
Tijdelijke posities De levensfase waar je in zit. Je gedraagt je heel anders
tegenover kinderen dan gelijke leeftijdsgenoten.
Status (waardering positie) Dat komt bij je beroep. Je hoort dat iemand CEO is
‘ooh daar moet ik met een bepaalde manier tegenop kijken’.
Aanzien (invulling positie) Verschillende docenten, je gedraagt je er anders
tegen.
Achting Ligt aan de levensfase zoals bijvoorbeeld respect voor ouderen.
Selectieve waarneming
De wijze waarop wij dan ook naar elkaar (leren) kijken en handelen is dus niet te vangen
in een vaststaand construct. Wij allen kijken vanuit een verschillend referentiekader naar
onze sociale omgeving met als gevolg dat onze waarneming in grote mate selectief en
subjectief van aard is.
Doel van interactie en communicatie
Mensen moeten door interpretatie en onderhandeling proberen vast te stellen wat er aan
de hand is, met wie ze te doen hebben en wat hen te doen staat.
Interactie is de wederzijdse invloed die individuen, die in contact met elkaar staan, op
elkaars handelen uitoefenen.
1. Frequentie van de interactie
2. Regelmaat van de interactie
3. Uitgebreidheid van de interactie
4. Coordinatie van de interactie
5. Eenzijdigheid in de interactie
6. Directheid in de interactie
Sociaal handelen
Rationeel handelen: (bewust handelen)
1) Doelrationeel handelen Bewust inzetten, beïnvloeden van de ander terwijl je
door hebt waar je naar toe wilt gaan.
2) Waarderationeel handelen Dit vind ik belangrijk in mijn leven. Het is geen doel.
Niet-rationeel handelen:
3) Affectueel handelen gevoel
4) Traditioneel handelen waarom zetten we met z’n allen een kerstboom op? Het is
traditie.
Sociale positie
De plaats die iemand inneemt in de maatschappij of in een groep in verhouding tot andere
posities.
Toegewezen posities (ascribed) ‘Willem-alexander wordt geboren en is nu
koning, het enige dat hij heeft moeten doen is op een bepaald moment uit de
baarmoeder te komen’.
Verworven posities (achieved) Diegene heeft er hard voor moeten werken
Tijdelijke posities De levensfase waar je in zit. Je gedraagt je heel anders
tegenover kinderen dan gelijke leeftijdsgenoten.
Status (waardering positie) Dat komt bij je beroep. Je hoort dat iemand CEO is
‘ooh daar moet ik met een bepaalde manier tegenop kijken’.
Aanzien (invulling positie) Verschillende docenten, je gedraagt je er anders
tegen.
Achting Ligt aan de levensfase zoals bijvoorbeeld respect voor ouderen.