Hoofdstuk 1 gedrag van dieren
Ethologie: de leer die zich bezighoudt met het gedrag van dieren.
Gedrag kun je grofweg uitsplitsen in:
- Aangeboren, instinctief gedrag
- Aangeleerd gedrag op basis van ervaring
Aangeboren of instinctief gedrag: dit gedrag is erfelijk vastgelegd en voor een deel direct na de
geboorte al duidelijk aanwezig. Dit soort gedrag wordt aangestuurd door het instinct of de drift.
Inwendige prikkel: motiverende factoren bepalen de kans dat een bepaald gedrag wordt uitgevoerd.
Bijvoorbeeld honger en dorst.
Uitwendige prikkel: Bijvoorbeeld het spergedrag om de bek open te doen.
Sleutelprikkel: Prikkel die de doorslaggevende rol speelt bij het veroorzaken van een bepaald gedrag.
De rode snavelvlek bij meeuwen is de sleutelprikkel voor het pikgedrag van de jongen.
Op grond waarvan kan een dier leerhandelingen verrichten?
Evaringen die het dier opdoet, deze kunnen positief of negatief zijn.
Conditioneren: een vorm van leergedrag. Een bepaald gedrag wordt geleerd door beloning of straf.
Voorbeelden: Trial and error, Dresseren, geconditioneerde reflex.
Nabootsen: een dier hoort of ziet gedrag van een soortgenoot en doet dat na.
Drempelwaarde: Minimale sterkte van een prikkel die effect geeft.
Inprenting: een vorm van leergedrag. Iets kan alleen worden geleerd in een bepaalde, korte
levensperiode.
Wanneer vind inprenting bij honden plaats?
Vanaf ongeveer de derde week na de geboorte, wordt ook wel de socialisatieperiode genoemd.
Wanneer is er sprake van een overgangsfase?
Vanaf de 21e dag. Het is een onomkeerbaar proces. Alles wat je de hond in deze periode laat
meemaken, wordt ingeprent voor het leven.
Inzichtgedrag: een vorm van leergedrag. In een onbekende situatie wordt de oplossing van een
probleem gevonden door verschillende vroeger opgedane ervaringen te combineren.
Bij natuurlijk gedrag heb je te maken met:
- Sociaal gedrag
, - Eetgedrag
- Vluchtgedrag
- Voortplantingsgedrag
- Comfortgedrag
- Exploratiegedrag
Er zijn diverse niveaus van socialiteit:
- Groepen
- Paren
- Solitair
Hiërarchie: ander woord voor rangorde.
Toompje: een haan en een paar hennen.
Pikorde: een voorbeeld van gedrag dat een functie heeft bij het vaststellen van een rangorde binnen
een groep. Bij kippen ontstaat door pikgedrag een rangorde van de meest dominante hen naar de
minst dominante hen.
Mimicry: hierbij ziet het dier eruit als iets anders.
Bronsttijd: de vruchtbare periode. Alleen in deze tijd is een dekking succesvol.
Nestblijvers: zijn jongen die nog niet volledig ontwikkeld zijn en gedurende een bepaalde tijd nog in
het nest blijven en verzorgd worden door de ouderdieren.
Nestvlieders: een jong dat meteen in de benen moet en het moederdier direct kan volgen.
Comfortgedrag: is gedrag dat het dier vertoont wanneer het zich prettig voelt. Bijvoorbeeld likken,
wassen, schuren, uitschudden, rekken, rollen, baden, krabben en dergelijke.
Exploratiegedrag: onderzoekingsgedrag. Dankzij dit gedrag weten ze waar de vluchtwegen en
voedselplaatsen zijn.
Hoe ontstaat afwijkend gedrag?
Door een overmaat of juist tekort aan prikkels.
Stereotiep gedrag: een reactie op verveling of het verdrijven van verveling.
Welke stof maakt een dier aan tijdens stereotiep gedrag?
Endofine.
Gestoord gedrag: Als het stereotiep gedrag langdurig voordoet.
Conflictgedrag: ontstaat door een overmaat aan prikkels. En dier vertoont dan gedrag dat op zich
niet onlogisch is, maar dat niet bij de situatie past.
Er zijn verschillende vormen van conflictgedrag: