Nederlands argumentatie en samenvatten
Verschil standpunt en argument:
Standpunt Argument
- Uitspraak of bewering over een - Verdedigen standpunt, onderbouwen.
bepaald onderwerp. - Ontkrachten of weerleggen.
- Staan soms niet letterlijk in de tekst. - Feitelijke (objectief)en waarderende
- In twijfel kunnen trekken of niet (subjectief) argumenten.
mee eens zijn. - Verzwegen argumenten worden niet
- Ik vind, volgens mij, ik denk dat, dus, letterlijk uitgesproken. (als-dan)
daarom, kortom etc.
Soorten argumenten:
Controleerbare feiten of onderzoek Een feit dat te controleren is
Ervaring (empirisch) Het gaat om ervaringen/gebeurtenissen die (eenmalig)
hebben plaatsgevonden
Gezag of autoriteit Beroep op autoriteit, deskundige of een betrouwbare bron.
Vergelijking (analogie) Argument op basis van vergelijking, gebaseerd op feiten.
Voorbeelden Gebruik van voorbeelden
Nuttige/gewenste gevolgen Inhoud is gebaseerd op feiten, inhoud is gevolg van wat in
de stelling staat.
Ongewenste gevolgen Ongewenst gevolg wordt uitgelegd
Veronderstellingen/vermoedens Een verwachting/veronderstelling gebaseerd op algemeen
aanvaarde opvattingen of onderzoeken
Persoonlijke overtuiging/geloof Persoonlijke overtuiging, idealen, religie of andere
levensbeschouwing. Altijd subjectief.
Emoties Gebaseerd op gevoel of intuïtie, zeer persoonlijk en niet zo
sterk. Altijd subjectief.
Argumentatieschema’s:
Oorzaak en gevolg Wijzing gevolgen om de Daardoor, door, doordat,
(on)waarschijnlijkheid van een waardoor, zodat, het gevolg
oorzaak/gevolg te van etc.
onderbouwen.
Kenmerk of eigenschap Kenmerkende eigenschappen Ook, tevens, bovendien, om te
van een persoon, object of beginnen, zoals, neem nou,
verschijnsel om standpunt van bijvoorbeeld.
andere eigenschap te
onderbouwen.
Voor-en nadelen Voor-en nadelen van Voordeel, nadeel, positief,
voorgestelde actie/handeling negatief, vooruitgang,
om standpunt hier voor of waarderen etc.
Verschil standpunt en argument:
Standpunt Argument
- Uitspraak of bewering over een - Verdedigen standpunt, onderbouwen.
bepaald onderwerp. - Ontkrachten of weerleggen.
- Staan soms niet letterlijk in de tekst. - Feitelijke (objectief)en waarderende
- In twijfel kunnen trekken of niet (subjectief) argumenten.
mee eens zijn. - Verzwegen argumenten worden niet
- Ik vind, volgens mij, ik denk dat, dus, letterlijk uitgesproken. (als-dan)
daarom, kortom etc.
Soorten argumenten:
Controleerbare feiten of onderzoek Een feit dat te controleren is
Ervaring (empirisch) Het gaat om ervaringen/gebeurtenissen die (eenmalig)
hebben plaatsgevonden
Gezag of autoriteit Beroep op autoriteit, deskundige of een betrouwbare bron.
Vergelijking (analogie) Argument op basis van vergelijking, gebaseerd op feiten.
Voorbeelden Gebruik van voorbeelden
Nuttige/gewenste gevolgen Inhoud is gebaseerd op feiten, inhoud is gevolg van wat in
de stelling staat.
Ongewenste gevolgen Ongewenst gevolg wordt uitgelegd
Veronderstellingen/vermoedens Een verwachting/veronderstelling gebaseerd op algemeen
aanvaarde opvattingen of onderzoeken
Persoonlijke overtuiging/geloof Persoonlijke overtuiging, idealen, religie of andere
levensbeschouwing. Altijd subjectief.
Emoties Gebaseerd op gevoel of intuïtie, zeer persoonlijk en niet zo
sterk. Altijd subjectief.
Argumentatieschema’s:
Oorzaak en gevolg Wijzing gevolgen om de Daardoor, door, doordat,
(on)waarschijnlijkheid van een waardoor, zodat, het gevolg
oorzaak/gevolg te van etc.
onderbouwen.
Kenmerk of eigenschap Kenmerkende eigenschappen Ook, tevens, bovendien, om te
van een persoon, object of beginnen, zoals, neem nou,
verschijnsel om standpunt van bijvoorbeeld.
andere eigenschap te
onderbouwen.
Voor-en nadelen Voor-en nadelen van Voordeel, nadeel, positief,
voorgestelde actie/handeling negatief, vooruitgang,
om standpunt hier voor of waarderen etc.