2021 LP1 AFP WG2 bijlage 1 Topografie van het lichaam studentversie
1. Welke 3 lichaamsvlakken kennen we en hoe verdelen deze het lichaam?
- Frontaal vlak, in voor en achter.
- Transversaal vlak, in boven en onder.
- Sagittaal/mediaan vlak, in links echt rechts.
2. Ventraal (aan de buikzijde) en dorsaal (aan de rugzijde). Deze plaatsaanduidingen betreffen
grotere structuren of duiden een grotere afstand aan. Bijvoorbeeld: de slokdarm ligt dorsaal
van de luchtpijp en ventraal van de wervelkolom.
3. Anterior (aan de voorzijde) en posterior (aan de achterzijde). Dit begrippenpaar lijkt op het
vorige. Het wordt echter gebruikt bij kleinere structuren of duidt een kleinere afstand aan.
Bijvoorbeeld: de arteria cerebri anterior voorziet vooral het anterieure (voorste) gedeelte
van de hersenen van bloed.
4. Centraal (in het midden) en perifeer (aan de uiteinden). Deze twee begrippen worden vooral
gebruikt bij uitgestrekte stelsels als het zenuwstelsel en het circulatiestelsel. Bijvoorbeeld:
het centrale zenuwstelsel omvat hersenen en ruggenmerg en de zenuwen behoren tot het
perifere zenuwstelsel.
5. Craniaal (aan de kant van de schedel) en caudaal (aan de kant van het staartbeen). Deze
twee termen worden vooral gebruikt bij de wervelkolom en het centraal zenuwstelsel.
Bijvoorbeeld: de borstwervels liggen craniaal van de lendenwervels en caudaal wordt het
ruggenmerg steeds dunner.
6. Superior (hoger, boven) en inferior (lager, onder). Deze twee plaatsaanduidingen lijken op
de vorige, maar worden gebruikt bij kleinere structuren of geven een kleinere afstand aan.
Bijvoorbeeld: de vena cava inferior voert bloed uit benen en buikorganen naar het hart; de
vena cava superior doet dat met het bloed uit armen en hoofd.
7. Lateraal (aan de zijkant) en mediaal (naar het midden toe). Deze twee begrippen worden
algemeen gebruikt. Bijvoorbeeld: de longen liggen lateraal van het hart en de maag ligt
mediaal van de milt en de lever.
8. Proximaal (dichtbij de romp) en distaal (ver van de romp). Deze twee termen worden
gebruikt voor plaatsaanduidingen in de ledematen. Bijvoorbeeld: de elleboog ligt distaal van
de schouder en proximaal van de pols.
9. Sinister (links) en dexter (rechts). Deze twee begrippen zijn nodig om symmetrisch gelegen
structuren te benoemen. Bijvoorbeeld: in de vena subclavia sinistra mondt de borstbuis uit.
Links en rechts worden altijd benoemd vanuit het gezichtspunt van de afgebeelde persoon of
de afgebeelde structuur. Voor de waarnemer is dat dus in spiegelbeeld.
10. Internus (inwendig) en externus (uitwendig). Met dit begrippenpaar duid je de ligging in de
diepte aan, vooral bij bloedvaten en zenuwen. Bijvoorbeeld: de arteria carotis internus treedt
de schedel binnen en de arteria carotis externus vertakt zich aan de buitenkant van de
schedel.
11. Profundus (diep) en superficialis (oppervlakkig). Net als het vorige begrippenpaar duiden
deze begrippen de ligging in de diepte aan.
1. Welke 3 lichaamsvlakken kennen we en hoe verdelen deze het lichaam?
- Frontaal vlak, in voor en achter.
- Transversaal vlak, in boven en onder.
- Sagittaal/mediaan vlak, in links echt rechts.
2. Ventraal (aan de buikzijde) en dorsaal (aan de rugzijde). Deze plaatsaanduidingen betreffen
grotere structuren of duiden een grotere afstand aan. Bijvoorbeeld: de slokdarm ligt dorsaal
van de luchtpijp en ventraal van de wervelkolom.
3. Anterior (aan de voorzijde) en posterior (aan de achterzijde). Dit begrippenpaar lijkt op het
vorige. Het wordt echter gebruikt bij kleinere structuren of duidt een kleinere afstand aan.
Bijvoorbeeld: de arteria cerebri anterior voorziet vooral het anterieure (voorste) gedeelte
van de hersenen van bloed.
4. Centraal (in het midden) en perifeer (aan de uiteinden). Deze twee begrippen worden vooral
gebruikt bij uitgestrekte stelsels als het zenuwstelsel en het circulatiestelsel. Bijvoorbeeld:
het centrale zenuwstelsel omvat hersenen en ruggenmerg en de zenuwen behoren tot het
perifere zenuwstelsel.
5. Craniaal (aan de kant van de schedel) en caudaal (aan de kant van het staartbeen). Deze
twee termen worden vooral gebruikt bij de wervelkolom en het centraal zenuwstelsel.
Bijvoorbeeld: de borstwervels liggen craniaal van de lendenwervels en caudaal wordt het
ruggenmerg steeds dunner.
6. Superior (hoger, boven) en inferior (lager, onder). Deze twee plaatsaanduidingen lijken op
de vorige, maar worden gebruikt bij kleinere structuren of geven een kleinere afstand aan.
Bijvoorbeeld: de vena cava inferior voert bloed uit benen en buikorganen naar het hart; de
vena cava superior doet dat met het bloed uit armen en hoofd.
7. Lateraal (aan de zijkant) en mediaal (naar het midden toe). Deze twee begrippen worden
algemeen gebruikt. Bijvoorbeeld: de longen liggen lateraal van het hart en de maag ligt
mediaal van de milt en de lever.
8. Proximaal (dichtbij de romp) en distaal (ver van de romp). Deze twee termen worden
gebruikt voor plaatsaanduidingen in de ledematen. Bijvoorbeeld: de elleboog ligt distaal van
de schouder en proximaal van de pols.
9. Sinister (links) en dexter (rechts). Deze twee begrippen zijn nodig om symmetrisch gelegen
structuren te benoemen. Bijvoorbeeld: in de vena subclavia sinistra mondt de borstbuis uit.
Links en rechts worden altijd benoemd vanuit het gezichtspunt van de afgebeelde persoon of
de afgebeelde structuur. Voor de waarnemer is dat dus in spiegelbeeld.
10. Internus (inwendig) en externus (uitwendig). Met dit begrippenpaar duid je de ligging in de
diepte aan, vooral bij bloedvaten en zenuwen. Bijvoorbeeld: de arteria carotis internus treedt
de schedel binnen en de arteria carotis externus vertakt zich aan de buitenkant van de
schedel.
11. Profundus (diep) en superficialis (oppervlakkig). Net als het vorige begrippenpaar duiden
deze begrippen de ligging in de diepte aan.