Scheikunde §2.1
In de scheikunde wordt geprobeerd met behulp van het microniveau stofeigenschappen op
macroniveau te verklaren.
Op grond van een onderzoek formuleerde Rutherford een nieuw atoommodel dat de bouw
van een atoom beschrijft als een positief geladen atoomkern met daaromheen bewegende
negatief geladen elektronen. Deze elektronen vormen samen een elektronenwolk rond de
kern. Later bleek dat de atoomkern bestaat uit nog kleinere deeltjes, de protonen (+) en de
neutronen (neutraal). De atoomkern heeft een positieve lading.
Het aantal protonen bepaalt welke atoomsoort het is en dit aantal protonen wordt gegeven
door het atoomnummer. De som van het protonen en neutronen in de atoomkern is het
massagetal.
Atomen Lading Massa Berekening
Wolk Elektronen 1- ≈0 Atoomnummer
+ lading
Kern Protonen 1 + (e) 1u Atoomnummer
Neutronen 0 1u Massagetal -
atoomnummer
De elektrische lading van een proton en een elektronen kun je uitdrukken in coulomb (C). de
lading van een proton is 1,6 · 10-19 C. Maar meestal gebruik je een andere eenheid, de
elementaire ladingseenheid of elementair ladingskwantum e.
Isotopen: deeltjes met hetzelfde aantal protonen (en dus hetzelfde symbool) maar ander
aantal neutronen (tabel 25).
Je kunt het massagetal achter het symbool zetten om te laten zien om welk isotoop
het gaat, zoals Cu-63.
Er is ook een andere manier om op te schrijven. Hierbij wordt het atoomnummer
linksonder het symbool gezet en het massagetal linksboven.
Het model van Rutherford verklaart niet alle eigenschappen van atomen en is daarom door
Bohr verfijnd. In dit model bevinden er bolvormige banen, elektronenschillen, rond de kern.
Schillen dit dichterbij de kern zitten bevatten minder elektronen dan schillen die verder van
de kern verwijderd zijn. De verdeling van de elektronen over de schillen heet ook wel de
elektronenconfiguratie. De schillen in het atoommodel van Bohr hebben een rangnummer,
n, of worden voorgesteld door letters K, L, M, N, O, P, Q.
Alle bekende atoomsoorten staan in het periodiek systeem. In ons periodiek systeem wordt
een horizontale rij van atoomsoorten een periode genoemd. Een verticale kolom van
atoomsoorten noem je een groep. De atoomsoorten in de geel gekleurde hokjes zijn atomen
van metalen. De andere atoomsoorten zijn atomen van niet-metalen. Op de grens van de
metalen en de niet-metalen staan een aantal atoomsoorten die wat betreft hun
eigenschappen tussen metalen en niet-metalen instaan, metalloïden genoemd.
De atoomsoorten die in één groep staan, hebben chemische eigenschappen die op elkaar
lijken. Soms een verzamelnaam aan een groep uit het periodiek systeem gegeven:
Groep 1: de alkalimetalen
Groep 2: de aardalkalimetalen
Groep 17: de halogenen
Groep 18: de edelgassen
Schil K L M N O P Q
Nummer 1 2 3 4 5 6 7
(n)
Maximal 2 8 18 32 32 32 32
e
verdeling