Hoofdstuk 1: Algemene inleiding
1. Welke drie functies heeft het staatsrecht?
- Constituerende functie = een overheid, bestaande uit allerlei overheidsambten, wordt
ingesteld
- Attribuerende functie = aan deze ambten worden bevoegdheden toegekend
- Regulerende functie = hun onderlinge verhouding wordt geregeld en de uitoefening van
bevoegdheden kan aan beperkingen of grenzen worden onderworpen
2. Welke waarborgen biedt de Grondwet voor de organisatorische machtenscheiding?
Onverenigbare functies (incompatibiliteiten) = het Kamerlidmaatschap is onverenigbaar
met het minister-ambt (zie art. 57 Gw), waardoor de Grondwet een duidelijke scheiding
tussen regering en Staten-Generaal tot stand heeft gebracht.
3. Welke drie kenmerken omvat het machtenscheidingsprincipe vanuit een
positiefrechtelijke benadering?
1) Drie afzonderlijke, gelijkwaardige en zelfstandige staatsmachten (Staten-Generaal,
regering en onafhankelijke rechterlijke macht) die de drie hoofdfuncties uitoefenen,
namelijk wetgeving, bestuur en rechtspraak.
2) De machtenscheiding is, zowel organisatorisch als functioneel gezien, niet absoluut.
Op het terrein van wetgeving en bestuur is sprake van gedeelde bevoegdheden van
regering en Staten-Generaal. Rechtspraak is exclusief voorbehouden aan de rechter.
3) De constitutie voorziet niet alleen in gedeelde bevoegdheden, maar ook in diverse
andere vormen van controle teneinde te voorkomen dat een van de staatsmachten
ongecontroleerde macht uitoefent.
4. Op welke wijze is het legaliteitsbeginsel verankerd in de Grondwet?
Artikel 16 Grondwet: ‘Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane
wettelijke strafbepaling.’
5. Hoe is de representatieve democratie met een parlementair stelsel in Nederland tot
ontwikkeling gekomen?
In 1848 is de macht van de Staten-Generaal aanzienlijk uitgebreid en daarbij is vastgelegd
in art. 42 Gw dat de ministers verantwoording moeten afleggen aan de Staten-Generaal.
Hiermee is het parlementair stelsel in Nederland tot ontwikkeling gekomen. Daarbij is de
representatieve democratie tot ontwikkeling gekomen doordat in de jaren na 1848
algemeen kiesrecht is ingevoerd (1917).
6. Welke zijn de belangrijkste verschillen tussen een eenheidsstaat en een federale staat?
Eenheidsstaat = legt sterk de nadruk op de eenheid van de staat en op het belang van een
sterk centraal gezag in de staat
Federale staat = legt de nadruk op de verdeling van de staat in zelfstandige deelgebieden,
die samenwerken in een groter overheidsverband
,