Krachten om je heen.
Krachten kunnen de vorm van een voorwerp veranderen. Je hebt 2 verschillende vervormingen elastisch en
plastisch.
Bij een elastische vervorming gaat het voorwerp weer terug naar de originelen vorm (bv een
voetbal)
Bij een plastische vervorming word het voorwerp blijvend vervormt (bv een tak die breekt)
Soorten krachten
- Spierkracht (het weg schoppen van een voetbal)
- Veerkracht (als je een materiaal uitrekt of indrukt, elastiekjes)
- Zwaartekracht (de kracht waar mee de aarde je aan trekt)
- Magnetische kracht (2 verschillende polen trekken elkaar aan, 2 dezelfde stoten elkaar af)
Krachten meten: dit kan met een krachtmeter hier zit en veer in en als je daar massa (gewicht) aanhangt,
deze geeft de kracht weer in Newton (N)
(Zwaarte) kracht
Formule = F=m•g (m = F/g en g = F/m)
F = kracht in newton (N)
m = massa in kilogram (kg)
g = zwaartekrachtconstante (N/kg) op de aarde is dit 9,8N/kg
De grootte van de zwaartekrachtconstante heeft te maken met de massa’s van de voorwerpen en de
afstand tussen de voorwerpen.
De maan is kleiner dan de aarde dus voelt het of je op de maan ongeveer 6x lichter bent dit is in
werkelijkheid niet zomaar de maan trekt minder hard aan je dan dat de aarde doet dit komt doordat
de aarde groter is
Voorbeeld 1
Heeft een massa van 133 kg. hoe veel newton is dit?
G m= 133 kg g= 9,8N/kg
G F?
F F=m•g
O F= 133 • 9,8 = 1303,4 N
Voorbeeld 2
Heeft een zwaartekracht van 137N. hoe zwaar is hij?
G F= 137N g= 9,8N/kg
G m?
F m=F/g
O m= 137/9,8 = 13,9 kg
Krachten tekenen
4 belangrijke dingen bij het tekenen van krachten (voor het tekenen van krachten heb je N nodig)
1. Beginpunt (zwaartekracht begint altijd in het zwaartepunt dit is het middelpunt van alle massa)
2. Richting (welke richting word het voorwerp op geduwd)
3. Schaal (zelf bedenken of hij is in de opdracht al gegeven)
4. Lengte (schaal toepassen)