Huyser, J., Schene, A.H., Sabbe, B., & Spinhoven, Ph. (2008).
Handboek Depressieve Stoornissen.
Hoofdstuk 2: Beloop van depressie
2.1. Inleiding
Het is voor de clinicus belangrijk om een prognose te kunnen geven aan een depressieve
patiënt. Een prognose geeft namelijk aanwijzingen voor het maken van keuzes in de
behandeling, maar patiënten en familie hebben om meer redenen behoefte aan informatie over
het beloop. Deze kennis kan behulpzaam zijn in het leren omgaan met de depressie en kan
ook nuttig zijn om de toekomst te bepalen.
2.2. Terminologie
het beloop van depressieve stoornissen kan beoordeeld worden op de korte termijn (dagen of
weken), op de middellange termijn (maanden tot jaren), of op de zeer lange termijn
(levenslang). Voor het geven van een prognose is vooral het beloop op de middellange termijn
van belang.
Het beloop wordt meestal beschreven a.d.h.v. de 5 R’s: response, remission, recovery, relapse
en recurrence:
Response: bij de patiënt dient op basis van de ingestelde therapie een duidelijke
verbetering in het toestandsbeeld te zijn ontstaan. Dit wordt meestal
geoperationaliseerd als een verbetering van 50% op de HRSD.
Remission: hiervan is pas sprake indien de patiënt (vrijwel) geen symptomen meer
heeft. Wordt vaak geoperationaliseerd als een HRSD die lager is dan 8 punten. Een
niet volledige afname van symptomen wordt ook wel partiële remissie genoemd.
Relapse: wanneer binnen 4 tot 6 maanden na herstel de klachten weer optreden.
Recurrence: wanneer er een nieuwe ziekteperiode optreedt.
Recovery: wanneer patiënt herstel vertoont gedurende 4 tot 6 maanden. Van een
chronisch verloop is sprake als er gedurende 2 jaar aan alle criteria voor een depressie
wordt voldaan.
Onderzoek laat zien dat het beloop van depressie zich niet houdt aan de belooptypen van de
DSM zoals afgebeeld op pagina 29. Het beloop is zeer heterogeen en is beter te beschrijven in
een zeer variabel continuüm van depressieve symptomatologie.
2.3. Leeftijd bij eerste episode
De gemiddelde leeftijd voor het ontstaan van de depressieve stoornis ligt rond de 30 jaar
(vrouwen 29 en mannen 32 jaar). Het risico voor de depressieve stoornis is laag in de eerste
levensfasen maar stijgt gedurende adolescentie en twintiger jaren en neemt daarna weer af.
Een vroeg ontstaan van depressie gaat gepaard met een ernstiger beloop.
De dysthyme stoornis heeft een gemiddelde leeftijd van ontstaan van 29 jaar voor zowel
mannen als vrouwen. Ook op jongere leeftijd kan dysthyme stoornis ontstaan.
,Early onset: begin voor het 21e levensjaar.
Late onset: begin na het 21e levensjaar.
De early onset wordt vaak in verband gebracht met een slechtere prognose met meer
depressieve episoden gesuperponeerd op de dysthymie.
2.4. Chroniciteit
in gespecialiseerde GGZ is persisteren en chronisch worden van depressie veelvoorkomen, in
bevolkingsonderzoek en de eerste lijn niet.
In het CDS onderzoek werd gevonden dat een jaar na een depressieve episode ongeveer 70%
van de patiënten hersteld was, in de daaropvolgende jaren nam de kans op herstel steeds
verder af.
Weinig onderzoek over langere termijnbeloop van dysthymie. Chroniciteit lijk redelijk stabiel
te blijven.
In het beloop van de dysthymie is de kans op het optreden van een depressieve stoornis
(zogenaamde dubbele depressie) zeer hoog: gemiddeld gebeurt dit na 5 jaar.
Deze gesuperponeerde depressieve stoornis gaat merendeels wel snel weer in remissie maar
de dysthymie blijft en er kan ook snel weer een dubbele depressie ontstaan.
2.5. Recidivering
de duur van de follow – up is een zeer bepalend iets bij het vaststellen van de mate van
recidivering.
Eenmalige episoden lijken zeldzaam bij patiënten die in behandeling zijn in de tweede lijn. Er
zijn aanwijzingen dat recidivering in de huisartsenpopulatie minder vaak voorkomt.
2.6. Beloop van de subklinische depressie
De subklinische depressie (minor depression) wordt gedefinieerd als 2 tot 4 symptomen
volgens de DSM – criteria met een kernsymptoom gedurende 2 weken. In het beloop van de
subklinische depressie blijkt ook recidivering op te treden van dit subklinische syndroom. Op
kenmerken als aantal episoden, gemiddelde lengte van episoden, beperkingen en
comorbiditeit blijkt dat de subklinische depressie zich in een continuüm bevindt met de
depressieve stoornis met 5-6 symptomen en met 7-9 symptomen. Het beloop varieert nogal.
Voorspellers van de ontwikkeling van een depressieve stoornis zijn de aanwezigheid van
chronisch lichamelijke aandoeningen en een familiegeschiedenis met depressie.
2.7. Voorspellers van beloop
Voorspellers blijken divers en kunnen ingedeeld worden volgens een theoretisch kader: het
dynamische stresskwetsbaarheidsmodel. Volgens dit model is er een wederzijdse beïnvloeding
op individueel niveau tussen levensgeschiedenis en omgevingsfactoren (die samen de mate
van kwetsbaarheid opleveren), levensgebeurtenissen en ziektekenmerken en is de resultante
(on)gezondheid van het individu. Kwetsbaarheidsfactoren worden ingedeeld in
psychobiologische kwetsbaarheid (genetische en biologische determinanten, vroege
levenservaringen en persoonlijkheidsontwikkeling). Sociale kwetsbaarheid wordt gevormd
door langdurig aanwezige ongunstige factoren (laag opleidingsniveau, slechte huisvesting en
werkeloosheid).
, Levensgebeurtenissen worden in dit model gezien als uitlokkende/onderhoudende factoren
voor psychopathologie. Gebrek aan sociale steun wordt ook in die categorie geplaatst. Het
doormaken van meerdere depressieve episoden heeft ongunstige effecten op verschillende
domeinen (pp, neurobiologisch, sociaal functioneren). Het wordt vergeleken met het oplopen
van littekens (scarring) waardoor de kwetsbaarheid voor nieuwe episoden weer toeneemt. Het
optreden van nieuwe episoden staat dan steeds minder onder invloed van externe factoren
waardoor relatieve milde stressoren al nieuwe episoden kunnen ‘triggeren’ (het kindling
fenomeen).
2.7.1. Voorspellers van Chroniciteit
Demografische factoren zijn geen voorspellers.
Kwetsbaarheidsfactoren zoals negatieve jeugdervaringen en neuroticisme zijn
voorspellers voor een langere duur van depressie. Kwetsbaarheid veroorzaakt door
eerdere psychiatrische of (chronische) somatische aandoening is ook een factor van
betekenis. Een langere duur van eerder doorgemaakte depressieve episoden voorspelt
een langere duur van de huidige depressieve episode.
Van de sociale kwetsbaarheidsfactoren worden lagere ses, lager opleidingsniveau en
lager inkomen in verband gebracht met een langere duur van de stoornis.
Wat betreft onderhoudende factoren, zoals het meemaken van een belangrijke
levensgebeurtenis of gebrek aan sociale steun, bleken aanhoudende
levensmoeilijkheden bij vrouwen samen te hangen met voortduren van depressie. Ook
een gebrek an sociale steun is voorspellend van persistentie van depressie.
Van de diverse onderzochte factoren blijken ziektekenmerken de meest consistente
voorspellers te zijn voor chroniciteit. Met name een grotere mate van ernst van de
huidige depressie, een langere duur van eerdere episoden en comorbiditeit met
angstklachten zijn voorspellend gebleken voor een langere duur.
Er kunnen geen eenduidige uitspraken worden gedaan of behandeling invloed heeft op
het voorkomen van een chronische depressie.
Zie tabel 2.1. op pagina 34 voor determinanten van recidief en chroniciteit.
2.7.2. Voorspellers van Recidivering
Onderzoek is niet eenduidig wat betreft geslacht, weinig aandacht geweest voor de
invloed van kwetsbaarheidsfactoren en onderhoudende factoren op een recidief.
Ziektekenmerken zijn wel belangrijke voorspellers. Eerder doorgemaakte depressieve
episoden lijken de beste voorspellers voor toekomstige recidieven.
De ernst van de depressie blijkt ook een ernstige voorspeller te zijn.
Met name de de comorbide dysthymie verhoogt de kans op een recidief.
Ook de aanwezigheid van restsymptomen na een episode lijkt een sterke voorspeller
van een nieuw recidief.
2.8. Conclusies
De huidige kennis over beloop is nog fragmentarisch. Duidelijk is wel dat depressieve
syndromen in een continuüm moeten worden gezien met in de tijd wisselende intensiteit. Het
beloop van de stoornis voor patiënten in de tweede lijn is ongunstig m.b.t. chroniciteit en
recidief. Ziektekenmerken blijken de beste voorspellers van het beloop te zijn.